A QUI PROFITE LE CRIME?

Brussel rook die avond naar natte steen en lauwe hypocrisie. De regen kleefde aan de kasseien rond het Schumanplein als een tweede huid. In het raam van een bar die zich “QUID PRO QUO” noemde — maar eigenlijk gewoon een wachtkamer voor cynici was — flikkerde het licht van een televisiescherm. Iemand praatte over “transitie”. Iemand anders over “noodzakelijke offers”. De toogplakker naast mij knikte alsof hij al wist wie de offers zou betalen.
Ik had een notitieboekje. Geen laptop. Geen heroïek. Alleen papier, nicotine en een zin die niet weg wilde:

À qui profite le crime?

Niet omdat ik wist dat er een misdaad was. Maar omdat ik wist dat er altijd iemand profiteert wanneer de rekening plots verdubbelt — of verdrievoudigt — en niemand bloost.

De ober zette mijn koffie neer alsof hij een dossier dropte.

“Journalist?” vroeg hij.

“Neen,” zei ik. “Ik ben gewoon iemand met te veel vragen.”

Hij lachte kort, zonder warmte. “Dan bent ge in Brussel aan het juiste adres.”

I. De vrouw met de badge

In mijn hoofd heette ze Tinne V. Niet om haar te verbergen — iedereen kende haar — maar om de afstand te bewaren tussen een mens en een machine.

Ze droeg altijd dezelfde glimlach: de glimlach van iemand die gelooft dat weerstand moreel inferieur is. De glimlach van een doctrine.

Ik zag haar voor me zoals ze in dat soort zalen verschijnt: badges, spots, applaus dat klinkt als gefinancierde regen. Namen die glanzen op lapel pins. Panels. Keynotes. Foto’s met mensen die “stakeholders” heten, maar eigenlijk gewoon belangen zijn met een strik errond.

WindEurope. Bilbao. Copenhagen. Recepties. Netwerken.

Je hoeft geen detective te zijn om te begrijpen hoe die avonden werken. Je hoeft alleen ooit één keer in Brussel buiten adem geraakt te zijn tussen een lift en een lobby.

Je komt daar niet “toevallig”. Je wordt uitgenodigd. Je wordt gezien. Je wordt gefotografeerd. Je wordt herinnerd.

En de vraag hangt in de lucht, altijd:

Wie sprak met wie toen de camera’s uit stonden?

Niet omdat ik het weet. Maar omdat niemand mij kan wijsmaken dat er bij zulke bijeenkomsten enkel over het weer wordt gepraat. Niet met al die geldstromen onder de vloer.

II. De rekensom die geen rekensom was

Ze noemden het een project. Iets met zee, kabels, toekomst. Een eiland dat geen eiland was, maar een woord dat de burger moest doen geloven dat het romantisch was.

Eerst was het 2,2 miljard. Dat klonk al als een aanslag op gezond verstand, maar men zei: “Het is nodig. Het is modern. Het is onvermijdelijk.”

Daarna hoorde ik andere cijfers rondgaan. Geen afrondingsverschillen. Geen 1 of 2 procent. Maar een sprong. Een val. Een explosie.

7 à 8 miljard.

Ik staarde naar die cijfers zoals je staart naar een lichaam dat niet dood wil lijken, maar toch niet meer ademt.

Hoe noem je dat?

Een inschattingsfout?

Een te optimistische raming?

Een “veranderende scope”?

Of gewoon: Brussel.

Wanneer een factuur van 2,2 naar 7–8 gaat, is dat geen gewone misrekening. Dat is een wereld waarin iemand lang genoeg “alles onder controle” kon blijven zeggen tot de trein de bocht miste.

En dan komt de vraag die geen mens graag hardop stelt:

Wie wint wanneer de kosten oplopen?

Want kosten zijn nooit zomaar kosten. Kosten zijn omzet voor iemand. Winsten voor iemand. Contracten voor iemand. Advisory fees voor iemand. Tender successen voor iemand.

En daar, ergens in die schaduw, loopt een organisatie rond die geen turbines bouwt, geen kabels legt, geen betonnen eilanden giet.

Maar die wel de belangen bundelt van wie dat allemaal wél doet.

WindEurope.

Ik schreef de naam op alsof het een adres was. Niet omdat ik wist wat er achter die deur zat, maar omdat ik wist dat je in Brussel nooit zomaar een deur opent zonder dat iemand erachter aan de klink hangt.

III. De man die naar New York vertrok

In dezelfde stad, een paar straten verder, leefde een ander verhaal. Ik noem hem Alex D. De man met het premierschap dat uitliep als koud vet in een pan.

Je kent dat soort politicus: altijd “verbindend”, altijd “in dialoog”, altijd een stap verwijderd van verantwoordelijkheid.

En toch: aan het einde van het stuk loopt hij niet naar de uitgang zoals gewone stervelingen. Hij loopt naar een ander toneel, groter, glanzender. New York. Verenigde Naties. Een functie die klinkt als een beloning voor overleven, niet voor presteren.

Wie beslist dat?

Wie belt wie?

Welke commissies “selecteren”?

Welke vrienden “dragen voor”?

En vooral: welke dossiers blijven achter zonder dat iemand er nog aan durft raken?

Brussel heeft een bijzondere talent: het maakt van falen een opstap. Van schade een curriculum. Van controverse een referentie.

En wanneer je dat hardop zegt, krijg je altijd hetzelfde antwoord: “Zo werkt het nu eenmaal.”

Dat is geen uitleg. Dat is een dreigement.

IV. De rector die de sleutel kreeg

Dan was er Petra D.S. Universitair. Elegant. Het soort macht dat niet roept, maar zinnen maakt die als messen snijden.

Ze kreeg de sleutel van een universiteit. Een instituut dat ooit vrijheid ademde, maar nu steeds vaker ruikt naar ideologie en bestuurstaal.

Ik dacht aan de studenten die nog geloven dat kennis boven politiek staat. Aan professoren die hun woorden wegen omdat één verkeerd bijvoeglijk naamwoord een dossier kan worden.

En ik vroeg me af: wanneer een regeringsfiguur de scepter krijgt in een academisch bastion, wie wint dan?

De wetenschap?

Of het netwerk?

Want netwerken zijn de echte universiteiten in België. Je studeert ze niet. Je erft ze. Je bouwt ze. Je betaalt er lidgeld voor. Soms met geld. Soms met diensten. Soms met stiltes.

V. De scène die niemand filmt

De mooiste misleiding in Brussel is dat alles publiek lijkt.

Panelgesprekken zijn publiek. Foto’s zijn publiek. Quotes zijn publiek. Statements zijn publiek.

Maar het echte Brussel speelt zich af in de minuten ertussen.

In de gang. In de lift. In de auto. In de hotelbar na het applaus. In de “even snel” afspraak die niet in de agenda staat.

Daar wordt niets gezegd dat op papier mag.

Daar hoor je zinnen als:

“Laat ons dat na de verkiezingen bekijken.”

“Daar kunnen we later nog eens rustig over praten.”

“Hou me op de hoogte.”

“Er komt iets vrij.”

En dan, maanden later, zegt iedereen: “Toeval.”

Alsof de wereld toevallig dezelfde mensen blijft belonen die dezelfde fouten maken.

VI. De vragen die blijven liggen als sigarettenpeuken

Ik neem geen misdaad aan. Ik beweer niets strafbaars. Ik heb geen ‘smoking gun’.

Ik heb alleen dit:
• Een minister die jarenlang in het ecosysteem rondloopt van een sectorlobby.
• Beleidskeuzes met miljardenimpact in exact die sector.
• Kosten die ontsporen van 2,2 naar 7–8 miljard.
• En dan het gefluister: een topfunctie bij diezelfde lobby.

En dus de vragen. Altijd de vragen.

Werd er ooit gesproken over “later”?
Wanneer precies? Met wie?
Wie zat in de zaal, en wie bleef na afloop hangen?
Welke briefingnota’s lagen op tafel?
Welke ‘asks’ kwamen uit de sector?
Welke rode lijnen verdwenen?
Welke ontmoetingen staan niet in de publieke agenda?
Welke e-mails bestaan alleen als metadata?
Welke deontologische adviezen werden gevraagd — of net niet?
En wie betaalt uiteindelijk de factuur?

Als alles zuiver is, is transparantie geen gevaar. Dan is transparantie een opluchting.

Maar Brussel doet alsof transparantie een natuurkracht is die je moet “balanceren”.

Balanceer dit, dan.

VII. Het echte motief

In noir-films is geld zelden de enige drijfveer. Het is macht. Status. De zekerheid dat je nooit echt valt.

Brussel is geen stad. Brussel is een belofte: dat je, als je lang genoeg binnen blijft, altijd ergens anders terechtkomt.

En precies daarom blijft die ene zin op mijn tong liggen, bitter als zwarte koffie:

À qui profite le crime?

Misschien is er geen misdaad. Misschien is er enkel een systeem dat zo perfect is dat het geen misdaad meer nodig heeft om te winnen.

Je hoeft niet te bewijzen dat iemand omgekocht werd om te zien dat de burger steeds weer verliest.

Je hoeft niet te bewijzen dat er een afspraak was om te voelen dat er een patroon is.

En patronen zijn in politiek vaak de enige waarheid die telt.

Ik sloot mijn notitieboekje, betaalde mijn koffie, en stapte terug de regen in. Brussel glansde als een natte leugen.

Morgen zou iemand weer “transitie” zeggen. Iemand anders “solidariteit”. En iemand anders zou weer de rekening tekenen zonder het te beseffen.

En ik?

Ik zou blijven vragen stellen.

Niet omdat ik graag kwaad ben.

Maar omdat ik weiger te geloven dat een democratie alleen maar kan bestaan bij gratie van stilzwijgen.

Door Marcel Kierszenbaum
Columnist | Oprichter van Guardians of Zion
© Alle rechten voorbehouden

**

Illustratie: de auteur