Dat de bestuurlijke autohaat onze gezondheid en veiligheid schaadt, is reeds langer bekend. Enkele dagen geleden waren we getuige van een lachwekkend voorbeeld daarvan: “the Antwerp Finest”, de politie dus, maakte zich gereed om de Pro-Palestina-onverlaten het hoofd – maar toch liefst het schild en het Kärcher-krachtig waterkanon – te bieden.
En dat was toch weer een farce!
Zolang het geen autistische verkeersflikjes à la “De Kriek” betreft die bovenmatig de auto’s en slechts cosmetisch de fietsers en steppers viseren, willen we nog wel veel respect hebben voor onze champetters, zeker voor de RoboCops die lijf en leden riskeren voor een minderheid aan kleinburgerlijke relzoekers te midden van een meerderheid aan uitheemse beroepsslachtoffers.
Recht op protest wordt door die lui voortdurend verward met recht op vernielen en als ze, los van elke democratische reflex, nog maar denken iets te willen, dan moet dat liefst terstond gerealiseerd worden. Men zou in dit “politie contra activisten-theater” nog snakken naar een Vlaamse Pier Paolo Pasolini die tijdens de primitieve mei’68-schermutselingen – ook in Italië! – zich achter de gardes schaarde omdat zij enkel hun job deden en de echte bourgeois bij de studenten aantrof.
Er schijnt nog niks veranderd te zijn! Ook nu bestaan er nog burgerlijke protestverslaafden, zowel van inheemse als uitheemse signatuur, aan wie het kwetsbare bestand van 10 oktober klaarblijkelijk geheel voorbijging. Vandaar de aangehouden pro-pal-protesten, althans toch officieel. In werkelijkheid is de Palestijnse zaak niet meer dan een smoes om te revolteren tegen een democratisch verkozen bestuur dat toch niet helemaal wil verzuipen in marxistisch non-beleid. Die protestverslaafden komen in twee soorten. Allereerst is er de opdringerige peregrijn, die klaagt voor het minste wat hij niet begrijpt – en dat is behoorlijk veel; een houding bovendien die enkel kan getemperd worden door een job die hij niet heeft en ook niet wil hebben omdat die hem door tijdsgebrek zou kunnen degraderen tot slechts een klager in bijberoep! Dan is er de inheemse variant, vrijwel steeds een obsolete communist (van welke regimepartij hij ook lid is) wiens materiële welstand omgekeerd evenredig is aan zijn verstandelijke capaciteiten. Uit die spanning tussen hebben (wel-stand) en missen (ver-stand) ontstaat dan de innerlijke frustratie die kiemt tot uiterlijke baldadigheid.
Tussen de verwilderde activist en de normale stedeling in staat de politie, gewapend met schild en knuppel en in de rug gedekt door het waterkanon. Gelukkig, zou elke goede huisvader denken, maar zo gelukkig is dat toch niet: schijn bedriegt ook hier, want mag de protesterende activist zich alles permitteren, van vernielzuchtige straatschenderij tot een lijflijke aanval op leven en dood, dan moet de agent zich van schier evenveel onthouden. Roept hij vanonder zijn helm en vanachter zijn schild “boeh” naar de protesterende wildeman, dan wordt hij meteen beschuldigd van politionele brutaliteiten. Deze houding bezwaart de job van agent niet weinig, al kan hij tot vandaag toch nog op de steun van het College van Burgemeester en Schepenen rekenen. Maar voor hoelang nog? Bij de socialisten begint het al aardig te jeuken: wie van hen zal zijn ingeschapen vernielzucht nog het langst kunnen beteugelen? Enfin, het vergt van onze politiediensten een hoop organisatie – en dit wekelijks – om toch nog een minimum aan erfgoed in de stad in goede staat te bewaren. Elke maandag trekken de RoboCops er dus op uit om onze veiligheid te waarborgen. En zo komen we terug bij de autohaat waarover in het begin sprake was.
Maandagavond was het weer zover. Toen de pro-pallers warm draaiden voor alweer een avondje trammelant, bereiden ook de flikken zich voor. Dat zag ik met m’n eigen ogen, terugkerend van een redactievergadering van ons lijfblad: het was ter hoogte van de Henri Van Heurckstraat, die de Leopoldstraat (Botanische tuin) verbindt met de Oudevaartplaats. (Henri Van Heurck was trouwens botanicus en directeur van “Den Botaniek” en in die hoedanigheid verlegde hij de grenzen van de studie naar eencellige algen: hij had zeker raad geweten met die amoebische “pro-pallers.”) Vanuit de Leopoldstraat denderde verschillende busjes de straat in met gevechtsklare agenten die de laatste hand legden aan het opblinken van hun witte helm en het glasstrijken van hun matrak. Conner zou fier geweest zijn! Na de busjes kraakte het mossige woonerf onder het geweld van een tot de nok gevuld waterkanon. Als voorlopig laatste was het dan de beurt aan de PV-bus, een soort mobiel hoofdkwartier waarin al te onstuimige anarchisten een PV’tje op naam kunnen krijgen.
Wat de sympathieke chauffeur van de PV-bus echter even uit het oog was verloren, was de met goed verstand onverklaarbare en ronduit misdadige versmallingsdrang, waarmee de op zich reeds nauwe, goeddeels “middeleeuwse” straatjes van Antwerpen Centrum (de Van Heurckstraat werd in 1551 op de Gasthuisbeemden getrokken) door lichtzinnig beleid worden opgezadeld. Toen Georges-Eugène baron Haussmann in de 19de eeuw de stad Parijs naar zijn hand zette, verbreedde hij om hygiënische redenen de middeleeuwse straatjes tot weidse boulevards; thans evenwel versmalt men de krappe straatjes tot nog benauwdere steegjes, klaarblijkelijk evenzeer om vermeende hygiënische redenen. Van de baron wordt stilletjes gefluisterd dat hij de verbreding realiseerde om troepenbewegingen te faciliteren, maar dat was slechts een bijkomend voordeel: van deze reden wordt immers met geen woord gerept in ’s mans memoires. Desalniettemin zou het de stads- en districtsbesturen niet weinig sieren om wat meer inzicht te verwerven in de boeiende geschiedenis van de stedenbouw. Het is echter al langer bekend: politiek en snuggerheid, het blijft een zonderling huwelijk.
En daar stond dan de splinternieuwe bus, compleet geprangd tussen de twee overliggende gevels aan beide zijden van de Van Heurckstraat. Verder vooruit rijden was onmogelijk, maar achteruit was niet veel minder gewaagd. De bijrijder, een agent op leeftijd met een fors embonpoint dat volhardende vorming in de Antwerpse horeca verried, stapte uit de bus en begaf zich, vervuld van collegiale hulpvaardigheid, naar de linkerkant van het gestrande voertuig; dezelfde kant die ook door de chauffeur wordt ingenomen omdat aan die kant normalerwijze het stuur wordt gemonteerd. Beide agenten bevonden zich nu aan dezelfde kant van het vastgelopen voertuig waar ze voor mekaar geen meerwaarde betekenden. De rechterflank echter bleef visueel onbeheerd. De chauffeur werkte op de millimeter en trachtte, onder een vierogige keuring van de linkerzijde en stekeblind aan de rechterzijde, het gevaarte zo goed en zo kwaad als het kon de nauwe straat in te persen. Dat ging aanvankelijk behoorlijk naar wens totdat een schel krassend en snerpend gekraak de nerveuse stilte doorbrak. Het tandenknarsend geluid, dat door het holle woonerf gekwadrateerd de oren bestormde, meldde dat er iets niet pluis was. Wat aanstonds ook bleek: het wijdlopig mobiele hoofdkwartier had met z’n onbeheerde rechterflank een verloren geplaatst verkeersbord eerst gestreeld en dan dubbelgevouwen, zodat het voortaan z’n inherente overbodigheid ook stoffelijk mocht etaleren.
Het gloednieuwe gevaarte, ditmaal getooid met een opzichtige kras, keerde enkele centimeter op zijn passen terug en bracht alles in stelling voor de tweede poging. Alle omstaanders hadden al lang gemerkt dat er meer nodig was dan een paar centimeter om de joekel in de tot steeg verworden straat te drijven, maar aan taaiheid ontbreekt het the Antwerp Finest niet. De agent met de welgedane pens, die geenszins van enige ezeligheid kon verdacht worden, vatte opnieuw post aan de kant waar hij zich het minst dienstbaar kon maken, te weten de linkerzijde, en opnieuw bleef de rechterzijde van visuele controle gespeend. Het gaspedaal werd voorzichtig ingeduwd. Het balorige verkeersbord had intussen zijn hoedanigheid van hindernis met onherstelbare kneuzingen moeten bekopen, dus de kans op complicaties ter rechterzijde leek voor de agenten asymptotisch te zijn gekrompen tot nul. Maar opnieuw werd de zenuwachtige stilte doorbroken door een weliswaar doffere, niettemin even oorverdovende schuring van ijzer op ijzer. Ditmaal betrof het een paaltje dat de illusie van stoep, in een verder stoeploos woonerf, kracht moest bijzetten.
Sinds de zelfverklaarde genieën van de moderne stadsvernieuwing de levendige straten tot ontzielde woonerven hebben getransformeerd, is het er uiteraard allemaal niet veiliger op geworden. In hun abstract hypothetische doch onpraktische tekentafel-hoofden had het knotsgekke inzicht postgevat dat wanneer men alle vervoersmodi (voetgangers, fietsers en steppers, brommers, auto’s) lukraak door één benepen stadspijp jaagt, de verkeersveiligheid erbij zou winnen. Dat doet die veiligheid echter uitdrukkelijk niet. Woonerven werden bovenal fiets-, trottinet- en brommerkerkhoven (liefst nog pal in het midden van de straat) en zones waar schier iedere weggebruiker, uitgezonderd de deugdelijke automobiel, zich een exclusieve prioriteit toemeet, al dan niet gepaard gaande met een Bond-achtige License to Kill ten opzichte van andere weggebruikers. De onzalige paaltjes, die voetgangers alsnog een veilige doortocht moeten voorwenden maar op zich reeds luidkeels een bekentenis van stedenbouwkundig ongelijk staan uit te schreeuwen, hebben van het woonerf een ontoegankelijke schacht gemaakt waarin zelfs een mild obese teckel komt vast te zitten.
Laat staan een mobiel hoofdkwartier! Had de straat, zoals elders in de wereld, een stoep gehad van amper tien centimeter hoog, dan was dit obstakel het noemen niet waard geweest; nu echter stond er een onverzettelijk ding (in het Duits niet voor niks “gegenstand” geheten) van dik een halve meter hoog, dat taai genoeg bleek om zich diep in het karkas van de splinternieuwe autobus te wurmen. Goddank betrof het hier slechts goedbedoelende agenten! Waren het even goedbedoelende burgers geweest dan lagen er in diezelfde bus al twee uitgetikte PV’s klaar voor “beschadiging van publieke eigendommen.” Na de tweede raak begon het bij de agenten toch stillaan te dagen dat een doortocht wellicht onhaalbaar was; een scherpzinnigheid die voor de meeste omstaanders al een hele poos als verworven mocht beschouwd worden. Maar nog was het leed niet geleden. Het scheelde immers geen haar of het had nog een blijspel in drie bedrijven kunnen worden.
Zaak was het nu dringend de bus op de Oudevaartplaats te krijgen. Overtuigd geraakt van de noodzaak om andere tot stadsspleet gekrompen straten te bevingeren, gooide de chauffeur de bus gezwind in achterwaartse versnelling waarop het gevaarte, haast met een bevrijdende wip, terug de Leopoldstraat in denderde, alwaar de rest van het konvooi de vermakelijke gebeurtenissen vanop de eerste rij had gevolgd. Met aanstormende beroepsactivisten- en dito slachtoffers wisten de RoboCops wel wat gedaan, over aanstormende mobiele hoofdkwartieren gaf het politioneel draaiboek evenwel geen uitsluitsel. Alleen een collegiaal maar tumultueus toeterconcert kon de chauffeur op het nippertje verhinderen ook nog op de achterzijde van de bus zijn particuliere paraaf te plaatsen. Of de kolonne uiteindelijk ter plaatse is geraakt, werd nooit duidelijk. Achteraf bleek het activistenfestijn voor een keertje kalm te zijn verlopen. De commotie hadden de agenten van dienst vooraf al gehad.