Van Shalit tot Sinwar: een “vrede” die onze gijzelaars inruilt voor hun commandanten — en het scenario schrijft voor de volgende 7 oktober.
De pen krast, de camera’s zoemen, en ergens in een marmeren zaal klinkt het discrete applaus van mensen die zweren dat ze de vrede hebben gezien. Op papier heet het een doorbraak. In de werkelijkheid is het een pauzeknop met bloed aan de randen. Ik hoor de zuchten van opluchting, ik zie de glimlachende gezichten, en ik proef de bittere nasmaak van een leugen die al jaren ronddraait als een dolk: Israël mag zich verdedigen, maar nooit winnen. Niet beslissend. Niet definitief. Nooit zo dat het vuur werkelijk dooft. Het moet blijven smeulen—zacht genoeg voor de televisie, hard genoeg om de volgende oorlogsronde te garanderen.
We hebben deze scène eerder gespeeld. We kennen de choreografie uit ons hoofd. Een staakt-het-vuren dat onmiddellijk “eerste fase” heet, een terugtrekking “tot een afgesproken lijn”, humanitaire konvooien die tegelijk brood en beton aanvoeren, en een gevangenenruil waarin de semantiek van “beide kanten” het morele verschil tussen gijzelaars en daders uitwist. Diplomaten noemen het evenwicht. Terroristen noemen het tijd. En tijd is het duurste wapen dat je een moordmachine kunt schenken.
Er is een naam die als een spook door deze zaal wandelt: Yahya Sinwar. In 2011 verliet hij zijn cel als onderdeel van de ruil voor Gilad Shalit. Het Westen noemde het menselijkheid. Hamas noemde het voorbereiding. Twaalf jaar later was Sinwar de architect van 7 oktober—de dag waarop Israël werd wakker gemaakt door de hel. Noem het toeval als u dat volhoudt; ik noem het mechanica. Een systeem dat beloningen uitdeelt aan wie burgers ruilt voor tijd, en tijd ruilt voor de volgende slachting. Wanneer we nu wéér sleutelfiguren en toekomstige commandanten vrijlaten in ruil voor onze dochters en zonen, zetten we de poort open met hetzelfde glimmende bordje erboven: Tot ziens.
Dat is de anatomie van onze “akkoorden”: ze ontlasten vandaag het geweten van toeschouwers en verlengen morgen de adem van moordenaars. We doen alsof “de-escalatie” een doel is, terwijl het in dit theater slechts de pauze is tussen twee bedrijven. De infrastructuur blijft staan: tunnelnetwerken die in de diepte groeien als schimmeldraden, raketlijnen die verdwijnen in kinderkamers en klinieken, financiële slangen die via “hulp” de oorlogsrente uitbetalen. Het is een wrede ironie: hoe menselijker de verpakking, hoe dodelijker de inhoud, want niets is zo dodelijk als half werk. Je blust geen brand voor negentig procent; je programmeert de herontsteking.
Men zal zeggen dat ik hard ben. Dat ik blind ben voor de noodzaak van ademruimte. Maar een ademruimte zonder ontwapening, zonder handhaving, zonder dag-erna-bestuur is geen ademruimte—het is een long die je vult met rook en hoop dat niemand hoest voor de camera’s. In elk van deze deals mist de ruggengraat: wie beheert het grondgebied, wie vergrendelt de grens, wie snijdt de geldstromen af, wie herschrijft de leerboeken, wie vervolgt, ontwapent, bewaakt? Niet in taal, in tijd. Jaren. Zolang die vragen onbeantwoord blijven, is elk akkoord een tussenhaakje in een overlijdensbericht dat al klaar ligt.
Ik hoor Europa spreken over “kansen” en “stappen”. Ik hoor de VS zichzelf feliciteren met “daadkracht”. Ik hoor de internationale rechtbanken in keurige volzinnen de bewegingsruimte van één partij in realtime kleiner maken, terwijl de andere partij met diezelfde volzinnen de klok koopt die zij nodig heeft. En ik zie Jeruzalem breken over de vraag of je gevangenissen mag legen om een wurgkoord tijdelijk losser te trekken. Het antwoord zou pijnlijk eenvoudig moeten zijn: elke vrijgelaten architect bouwt niet huisjes—hij ontwerpt de volgende 7 oktober.
Laat me het zeggen zoals het is. Deze handtekening is geen sluitsteen; het is een startschot. De morele pornografie van symmetrie—alsof de ruil van onze kinderen tegen hun commandanten een vorm van evenwicht is—verdooft enkel de zenuwen van toeschouwers die niet in Sderot of Kfar Aza wakker worden. De wereld wil beelden van vrijlating, niet van overgave. Beelden van vrachtwagens, niet van ontmanteling. Beelden van leiders die elkaar bedanken, niet van tunnels die ingestort, arsenalen die geconfisqueerd, grenzen die hermetisch zijn. Vrede, in deze absurde liturgie, is geen eindtoestand maar een esthetiek: het moet er vredig uitzien. Wat het is, is bijzaak.
Ik ben niet tegen een deal omdat ik tegen levens ben. Ik ben tegen een leugen die levens als wisselgeld inzet voor een ziek systeem. Ik ben tegen de doctrine die terrorisme omzet in dividend: gijzelen → onderhandelen → vrijlaten → herbewapenen → herbeginnen. Ik ben tegen het idee dat een Joodse staat de enige staat ter wereld is die niet mag winnen; dat ze moet vechten met één hand op de rug en de andere in het dossier van een rechter die nooit een schuilkelder heeft gezocht. Ik ben tegen het pseudohumaan sentiment waarin elk “nu stoppen” een deugd heet, ook al is “nu stoppen” exact de instructie die een vijand nodig heeft om straks weer te beginnen.
Wie werkelijk vrede wil, spreekt de smerige, gevaarlijke, oncamera-vriendelijke woorden uit: eindtoestand. Niet als retoriek, als architectuur. Monopolie op geweld. Permanente externe handhaving. Hermetische grenzen. Forensische ontwapening. Curriculum-reform die haat uit de klas haalt en waardigheid in de plaats zet. En de moed om tegen de diplomatieke reflex in te zeggen: dit is geen beheer van geweld, dit is het beëindigen ervan. Alles buiten deze set is theater. Theater met echte doden.
Dus ja, laat de gijzelaars komen—allemaal, nu. Maar weet wat er naast de bloemenkransen op hen ligt te wachten als we weer doen alsof tijd en tekst vrede maken. Er is in Caïro misschien een rol ondertekend. In de diepte, ver van de marmer en microfoons, is een agenda mee-geparafeerd: rekruteren met glorie, reorganiseren met rust, herbewapenen met hulp, terugkeren met wraak. U noemt het hoop. Ik noem het planning. En ergens, in een koel kantoor, zal een man die al eens wandelde door de poort van zijn vrijheid—Yahya Sinwar—een pen neerleggen en glimlachen om de voorspelbaarheid van onze welgemeende naïviteit.
Noem me bitter. Ik ben het met overtuiging. Want het enige wat nog bitterder smaakt dan een ruil die onze mensen thuisbrengt, is de wetenschap dat we wéér de voorwaarden aanvaarden voor het volgende bloedbad. Ondertekend: de volgende 7 oktober. Als u het niet ziet, is dat omdat de pauze mooi klinkt. Als u het wel ziet, is dat omdat u het kruit nog ruikt.
Laat dit stoppen. Niet de oorlog in pauzestand—het systeem dat haar voedt. Laat het vuur niet kleiner lijken. Doof het. En voor het eerst in jaren: maak van vrede geen foto, maar een feit.
Door Marcel Kierszenbaum
Columnist | Oprichter van Guardians of Zion
© Alle rechten voorbehouden