Cyriel Verschaeve en zijn Tijdgenoten

In het verre Alveringem, gelegen achter de IJzer waar geen Duitser ooit zijn laars plantte, werd op zaterdag 20 september 2025 verzameld voor het colloquium getiteld: “Verschaeve en zijn Tijdgenoten, Kentering der Tijden”, een organisatie van vzw Kapelaan Verschaeve en het in Antwerpen gevestigde ADVN (Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams nationalisme), thans getooid met de meer balsemende ondertitel: “Archief voor Nationale Bewegingen.” Dat het colloquium in Alveringem plaatsvond, is geen toeval want ginds, diep in de Westhoek, was de in Ardooie geboren Verschaeve jarenlang onderpastoor (kapelaan) en ligt hij ook begraven, al ging dat laatste niet zonder slag of stoot: de kapelaan vluchtte na de WO II naar Solbad Hall (Tirol, Oostenrijk) waar hij op 8 november 1949 stierf en aanvankelijk ook begraven werd. In de nacht van 10 op 11 mei 1973 echter groef een VMO-commando o.l.v. Bert Eriksson het stoffelijk overschot van de kapelaan op en bracht het naar de plek waar hij een groot deel van zijn leven hard had gewerkt en thans rust (de befaamde “operatie Brevier.” Eriksson schreef er nog een vermakelijk boekje over waarin het gerstenat zo welig stroomt dat zelfs beroepsalcoholist Tom Waes ervan zou zwijmelen.)

Wij, Vlamingen, laten onze cultuur – uitgerekend door ’t Vloms! – in de meest letterlijke zin genocideren en geen haan die ernaar kraait.

Het colloquium zelf, dat tweejaarlijks wordt georganiseerd, was van een behoorlijk niveau, maar op het cachet van de organisatie zat nog wat opwaartse rek! Bij aankomst kregen we één percolator-koffietje. “In de prijs inbegrepen,” werd ons op fiere West-Vlaams wijze geëxpliciteerd. De stoelen, waarop we ons toch een dag lang moesten zien te vlijen, hadden niet misstaan in een middeleeuwse martelkamer, waren daarenboven veel te dicht in op elkaar gepropte rijen gezet zodat het benodigde minimum aan beenruimte slechts een verre illusie bleef en de rug, voordien nog min of meer in orde, aan een kinesitherapeutisch vijfjarenplan moest onderworpen worden. De ronduit schandelijke en laaghartige drooglegging van schier alles wat maar het mildste Vlaamse aroma verspreidt door Hare Gezwollenheid, Caroline Gennez, “Vlaams” minister van Cultuur doch in gemoed de gortdroge slet van alles wat anti-Vlaams is, heeft klaarblijkelijk onmiddellijk effect gehad. Het zal er derhalve in de toekomst niet meteen op beteren. Wij, Vlamingen, laten onze cultuur – uitgerekend door ’t Vloms! – in de meest letterlijke zin genocideren en geen haan die ernaar kraait. Onuitgegeven in Europa, evenwel standaard in Vlaanderen. Nog iemand die blijft geloven in de Vlaamse onafhankelijkheid? Die schaarse ziel is dan echt niet meer te helpen!

Om even na 11 uur kon, na de gebruikelijke microfoonproblematiek, de dag dan toch aanvangen. Voor de gelegenheid werd voorzien in een heuse presentatrice, tevens prominent lid van de vzw Kapelaan Verschaeve. Wie een pronte, jonge en dynamische VTM-dame verwacht had, kreeg wat hij stiekem begeerde maar moest ook dit, conform de algemene opzet van de dag, toch vooral in historische zin begrijpen. Na de even gebruikelijke dankzeggingen werd dan prof. dr. Frans-Jos Verdoodt het podium opgetakeld, een leeftijdsgenoot van de charmante presentatrice. Verdoodt kwam de titel van het colloquium verklaren: “Kentering der Tijden”. Even leek er een misverstand in het spel te zijn, het leek er namelijk op dat Frans-Jos er stellig vanuit ging de volledige studiedag te moeten vullen, maar gelukkig werd dit plan op tijd verijdeld door de laatste bladzijde van zijn betoog, waarna hij stilletjes uitdoofde. Hij werd vervolgens zonder al teveel complicaties het podium terug afgetakeld en nam voor de rest van de dag plaats in de zaal. Het gesjouw met grijsaards heeft wellicht iets aandoenlijk Vlaams, anderzijds aait het toch ook royaal het gênante. Colloquia zijn wellicht niet meer het uitgelezen instrument om deze heren van een zekere stand, voorwaar ook van een voortschrijdende leeftijd, een podium te gunnen. Het medium radio, waar de blik noodgedwongen kwijnt onder de stem, lijkt ons dan gepaster.

Dan was het beurt aan Nico Van Campenhout, historisch publicist en vrijwillig medewerker aan het ADVN, die onder de titel “De Alveringemse Paradox” een bij momenten interessant referaat kwam houden over de verschillen tussen Verschaeve en Hendrik Fayat, Brussels Vlaamsgezinde socialist en ereburger van Alveringem, waarmee hij slechts langs z’n maternele grootouders een band had, maar waar hij desalniettemin begraven ligt, weliswaar aan de andere kant van Verschaeve, op de begraafplaats rond de kerk. Het enige wat beiden gemeen hadden, was hun vlaamsgezindheid. In die zin kwam de totale tegenstelbaarbeid van Verschaeve (1874-1949) en Fayat (1908-1997) toch een spatje te gecompileerd en te structuralistisch over. Verschaeve immers was plattelander (zgn. “strapaese”, dus traditionalist, antiburgerlijk, katholiek); Fayat, geboren en getogen Brusselaar, was uitgesproken stedelijk (“stracittà”, internationalist, bourgeois, atheïst). Waar de referent zelf stond, bleef niet lang verhuld: aan de goede kant van de geschiedenis, natuurlijk! Het fin du siècle en het interbellum, die strak gespannen staan tussen het blind geloof in de weldaden van de industrialisatie en de reactionaire weerstand ertegen, werden op die wijze en vanuit de kennis van de geschiedenis nadien gekluisterd in de beladen termen van goed en kwaad, wat nog nooit enig inzicht in de geschiedenis heeft verschaft. Fayat beleefde zijn summum overigens net ná het keerpunt dat de kapelaan hartstochtelijk wilde vermijden.

Aan die cultuurfilosofische tweespalt (cf. o.a. Ringer, F.K., The Decline of the German Manderins, The German Academic Community, 1890-1933, WUP, 1990, 528p.) ging de suggestieve referent dus compleet voorbij. Alleen al het subjectieve etiket “gesloten,” dat op Verschaeve werd gekleefd en dat gewild moest contrasteren met het al evenzeer subjectieve etiket “open,” dat aan Fayat vastgeklonken zat, bevatte een niet mis te verstaan waardeoordeel, dat de historicus maar matig sierde. Wat ons trouwens die open maatschappij aan cultuurverlies opgeleverd heeft, ziet men heden allerwegen! Verschaeve mag dan gesloten heten – d.i. het opgepoetst verwijt van links aan de Vlaamse beweging die niet vanonder de kerktoren zou geraken – hij groef hoe dan ook een stuk dieper dan de socialist Fayat. In zijn gekende hoogdravende stijl, evenzeer toch kenmerkend voor de tijd, bleef Verschaeve bijvoorbeeld schatplichtig aan een duidelijk manicheïstische invloed (de gnossis of kennis van oorsprong en bestemming van het menselijk bestaan) die de kerktorentheorie ver achter zich laat. Zijn kennis van de Europese literatuur wijzen eerder op een aloude continentale interconnectiviteit die in de internationalistische wereld van vandaag schaars goed geworden is. Veeleer, zo lijkt me, blijft dan de paradox overeind dat het bezongen maar alles plat relativerende globalisme de mens veel meer aan de spreekwoordelijke kerktoren knevelt, dan wel de zoektocht naar de diepere waarde van culturele en filosofische zelfkennis. Nee, Verschaeve verdient zeker geen heiligverklaring, maar geridiculiseerd hoeft hij ook niet te worden.

Tijd voor de broodjesmaaltijd! Bolle kadetjes a volonté en een lekker tasje soep, maar geen kop koffie en geen tafels. Het werd rechtstaand eten… in de regen. Sympathiek, dat allemaal wel, maar behoorlijk onhandig, zeker als de middagpauze iets te lang duurt. Bovendien waren de vloeibare versnaperingen te betalen, bovenop de inkomprijs! Dat was net iets teveel “West-Vlaanderen” voor een Antwerps hart. De overdosis kon echter weggespoeld worden in Café ’t Wieltje, gelegen in de Sint-Rijkersstraat, op een boogscheut van het gebeuren. Allen daarheen dus, waar de maroonrode Rodenbach – het bier, niet de dichter – nog nooit zo verfrissend smaakte. Alleen al de gedachte aan het probate marteltuig dat ons in de namiddag weer stond te wachten en ginds “stoel” wordt geheten, heeft ’t Wieltje die dag overigens geen windeieren gelegd. Toen de klok akelig dicht naar tweeën evolueerde, werd het voor de deelnemers hoogtijd om terug naar de zaal te evolueren. Het middagprogramma startte stipt.

Tweede referaat van de dag (het eerste van de namiddag) werd verzorgd door dr. Matthijs de Ridder, schrijver van de vuistdikke en zeer lezenswaardige biografie van Paul Van Ostaijen. Hij erkende dat Verschaeve en Van Ostaijen in totaal andere kwadranten van het Vlaamse universum zweefden. Van Ostaijen vond Verschaeve smakeloos, Verschaeve was zich van het bestaan van Van Ostaijen niet eens goed en wel bewust. Toch hebben beiden hun onuitwisbare stempel op de Vlaamse letteren gedrukt: de reactionaire Alveringemnaar als de “Dante van Vlaanderen”; de modernistische Antwerpenaar als de nieuwe “Van Maerlant” of “Guido Gezelle der Vlaamse letteren.” Althans zo werden ze toch genoemd. De Ridder toonde met beheerste stem en uiterst nauwgezet de herkomst en betekenis van de bijnamen aan. Een boeiende lezing! Het muzikale intermezzo van het ensemble Bladelijn uit Lampernisse (goed muziekschoolniveau) dat erop volgde, moest de geest vrij maken voor de pièce de résistance van de dag: het referaat van dr. Christian de Borchgrave over Joris Van Severen als politieke zoon van de kapelaan. De Borchgrave is eerste adviseur bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers en wetenschappelijk medewerker bij het Ruusbroecgenootschap; dat door de zetduivel in het programmaboekje pardoes werd herschapen tot “genottschap,” wellicht een Freudiaanse “Fehlleistung” die de nakende genieting wilde inluiden.

Eerlijk? Ben een beetje op mijn honger blijven zitten. Kentering in het politieke leven van Joris Van Severen blijft toch de fameuze “nieuwe marsrichting”, die op 24 maart 1934 in Gent besmuikt werd aangekondigd, op 15 juli van dat jaar te Kemzeke openlijk werd beleden (maar niet begrepen) en op 20 augustus in Izegem in een brochure werd geformaliseerd. De ommekeer bestond erin dat België niet meer diende vernietigd te worden maar, samen met Nederland, moest opgaan in één “Dietse staat.” Vóór de nieuwe marsrichting stonden Verschaeve en Van Severen zij aan zij, in de zomer van 1935 verbrak de kapelaan zijn jarenlange vriendschap met de leider van het Verdinaso (Verbond van Dietsche Nationaalsolidaristen), waarmee hij tijdens WO I nog een katholieke theocratie wilde vestigen. Christian De Borchgrave ziet de nieuwe marsrichting als een breuk met, wat hij noemt, het intransigente katholicisme van voordien (de 19de eeuwse politieke vertaling heette ultramontanisme) dat vanaf dan slechts een unilaterale focus op de politieke aspecten ervan omarmde. Daar valt veel voor te zeggen. Toch blijft de godsdienstigheid bij Van Severen sterk aanwezig, zij het dan meer op de achtergrond. Verschaeve hakt ten andere de banden met Van Severen niet om religieuze redenen door, maar omwille van de nieuwe “Belgicistische” (hoewel toch steeds in Diets perspectief) koers.

De nieuwe marsrichting kwam er omwille van rationeel politieke redenen, niet omwille van een mogelijke geloofsafval, dat erkent ook De Borchgrave. De opening die met de ommekeer gecreëerd werd naar de Franstalige conservatieve katholieken, zowel in Vlaanderen als in Wallonië trouwens (en gevolglijk ook de mitigatie van de vijandigheid jegens Van Severen in hoofde van de Belgische staat), bleek het Verdinaso weliswaar leden te kosten, maar was a fortiori niet van dien aard de godsdienstigheid te fnuiken. De accentverlegging (ommekeer?) van het intransigent katholicisme naar de politieke vertaling ervan in antiliberalisme, antisocialisme en anticommunisme had bovendien toch ook van doen met de oprichting, op 8 oktober 1933, van het rivaliserende VNV (Vlaamsch Nationaal Verbond) van Staf DeclercqHendrik EliasReimond Tollenaere, e.a., wier discours steeds heviger werd gevoerd. Nog op 28 april 1938, ter gelegenheid van een lezingenreeks in Sint Niklaas, orakelde Van Severen dat de nationaal-solidaristische (niet nationaal socialistische!) orde dit enkele doel had het Dietse volk in staat te stellen zich te ontwikkelen tot haar einddoel, hetzij tot God, de bron van alle recht en orde. Dat het vrij onderwijs onder scherpe staatscontrole moest komen te staan, kan dan gezien worden als een stap in de gefaseerde oprichting van de solidaristische staatsorde die het midden hield tussen de verwezenlijking van de Heel- dan wel Groot-Nederlandse gedachte, waarin noodgedwongen katholieken en protestanten samen te leven hadden.

Mij lijkt dit alles slechts de rationele en politieke redenen van de ommekeer te onderstrepen. Dat het Verdinaso er sowieso salonfähigkeit bij won (ook bij Frans Van Cauwelaert trouwens), is een niet te veronachtzamen vaststelling die ook in het huidige politieke landschap – cf. Vlaams Belang – kan waargenomen worden. Het hanteren van een – wellicht té – strikte scheidslijn tussen de tijd van het intransigent katholicisme vóór de nieuwe marsrichting en de tijd van de nadruk op de gepolitiseerde aspecten ervan nadien, stelt De Borchgrave echter in staat het katholiek integrisme en de tijdens WO I verhoopte oprichting van een katholieke theocratie aan te duiden als dé hoofdreden voor de ontkerkelijking van Vlaanderen na WO II. Met deze door de referent bij wijze van uitsmijter geponeerde stelling dient nochtans bedachtzaam omgesprongen te worden. “Theocratie” mag in Europees perspectief niet verward worden met wat thans voor het Midden-Oosten (bv. Iran) geldt. Enkel in de Kerkelijke Staten waren, tot 1870, de wereldlijke en religieuze macht verenigd in één hand (de paus) en zelfs de ultramontanen pleitten slechts voor een evenwichtige samenwerking tussen Kerk en staat, zoals die in Europa overigens altijd heeft bestaan. Het Duitse Rijk had een keizer, Frankrijk en Engeland een koning. De uitermate complexe en territoriaal afwijkende feodale structuren van het Ancien Régime mogen dan wel bij tijd en wijle kerkdienaren opgezadeld hebben met wereldlijke macht, de statelijke tegenvoeter was nooit ver weg. Wordt ten andere de modernistische scheiding tussen Kerk en staat niet veel te veel gewicht toegekend? Was de vermenging m.a.w. dan steeds contraproductief? Als we – wellicht een streepje te demagogisch gepostuleerd – moeten kiezen tussen de katholieke vloot van de Heilige Liga, die in 1571 nabij Lepanto de islamitische veroveringsdrang smoorde, en de geseculariseerde Global Sumud Flotilla van Skolstrejk-zottin Greta Thunberg, die omwille van een stel islamitische matrozen alle homo’s van boord kiepert, wordt die keuze toch snel een formaliteit, niet?

Kan bovendien niet met hetzelfde gemak de ontkerkelijking van Vlaanderen, minstens toch deels, toegewezen worden aan de Vlaams vijandige houding van de Belgische Kerk, haast emblematisch gepersonaliseerd door kardinaal Désiré-Joseph Mercier, voor wie het Nederlands geen academische kwaliteiten bezat? Prikt bovendien de ontkerkelijking, niet alleen in Vlaanderen maar over heel Europa, al niet een heel stuk vroeger en van lieverlee door het sociaal-godsdienstige membraam als actief bestanddeel van het in de 19de eeuw aan alle maatschappelijke geledingen snuffelend Verlichtingsdenken, dat pas na de wereldoorlogen en precies ten gevolge van die “enthousiaste Europese zelfmoord” tussen 1914 en 1945, wijdlopig maar verstikkend werd omarmd? Vragen die blijven nazinderen na de overigens gesmaakte lezing van sympathieke Christian De Borchgrave. Naar aanleiding van het referaat werd meteen ook zijn splinternieuw boek te koop aangeboden, een politieke biografie van Joris van Severen met als ondertitel: “Van katholiek naar fascist”. Scheelt ‘m hoe dan ook een te betalen boekvoorstelling bij de uitgever maar moest die ondertitel nu echt weer getooid worden met het meest misbruikte (scheld)woord van de eeuw? Was Van Severen dan echt een fascist? De these lijkt toch zeer bedenkelijk en ontdaan van elke historische nuance. Eerder voer voor hedendaags gebruik dat met inzicht in het verleden geen uitstaans meer heeft. Al willen we er niet eens gif op innemen dat de uitgever, die de verkoop een handje wil helpen, hier volledig vrijuit gaat.

Van Severen heeft er steeds op gedrukt dat hij noch Mussolini, noch Hitler navolgde. In december 1935 sloeg hij een uitnodiging voor de Rijkspartijdag in Neurenberg hooghartig af en hield tot het laatste moment vol nooit één cent van nazi-Duitsland te hebben ontvangen. Ten tijde van de nieuwe marsrichting nam men trouwens ook in conservatieve kringen de maat van de democratie (toen een stuk minder algemeen aanvaard dan nu). Charles Anciaux bijvoorbeeld, leider in het reactionair katholiek milieu, tekende conform de Vaticaanse anti-modernistische encyclieken het ontwerp voor een integristisch-katholieke corporatistische staat. Allemaal fascisten? Kom, kom… Misschien kan Antifa, vanwege het volslagen gebrek aan iets wat gelijkt op het begin van een futiele klonter hersencellen, zulke slordigheid vergeven worden, maar toch geen ernstige onderzoeker! Natuurlijk toont het Verdinaso mettertijd enkele fascistoïde trekjes, maar dat rijmt toch allerminst op fascisme pur sang. Zijn kunstzinnige minnares Rachel Baes, echtgenote van Robert Leurquin, journalist bij “Le XXe Siècle” – waarvoor ook Hergé (Kuifje) werkte – beklaagde zich erover dat Van Severen in brieven wel z’n emoties de vrije loop kon laten gaan, maar van man tot vrouw stijf en gereserveerd bleef. Geen teken van liefdeloosheid, zo repliceerde de Verdinaso-leider, maar ingegeven door ontzag en eerbied. Klein detail voorwaar, groot echter in zeggingskracht over een man die – zoals wel vaker geschiedt met telgen uit de vooroorlogse “ni gauche, ni droit” (Zeev Sternhell) – ten onrechte als fascist wordt versleten. Zolang deze botte ongenuanceerdheid (de levensverzekering voor links) in stand wordt gehouden, zolang ook zal het oorlogsverleden een onverwerkt verleden (Luc Huysse) blijven.

Na alweer een streepje muziek – het Bladelijn-ensemble had zich zowaar vermenigvuldigd tot een klein orkest – trad prof. dr. Els Snick in de arena met een referaat over “Jozef Lootens, van brouwer tot promotor van Cyriel Verschaeve”. Deze eerder progressieve dame, vooral bekend als uitstekende vertaalster van Joseph Roths werk en voorzitter van diens genootschap, had er geen moeite mee het hol van de leeuw binnen te stappen. Zij mocht eloquent de volkse snaar bespelen. Maar let op! De belezen, bijwijlen zelfs bewogen volkse snaar; niet de ignorante en ingestudeerde marketingvariant waarmee Conner Rousseau, foeragerend op krill van linkse jaloezie, stemmetjes wil ronselen bij bakvisjes die nog niet weten wat werken is of mejuffers van middelbare leeftijd en ouder die de overgang slecht hebben verteerd. Snicks volksheid sluit zich niet op in betweterij, polariseert niet, maar weet organisch te kiemen tot duurzame en vruchtbare dialoog. Ook zij schreef een boek: “De Feestzaal van mijn Ouders”. Aanvankelijk wilde ze haar eigen familiegeschiedenis te boek stellen, maar dan stootte zij op Jozef Lootens, de man die haar grootouders bij elkaar bracht en er in zekere zin dus voor zorgde dat Els, jaren later, überhaupt geboren kon worden. Die levenslange bewonderaar en mecenas van Cyriel Verschaeve, Jozef Lootens, werd het onderwerp van haar studie. Het boek is een kleinood geworden dat de macro-historische tendensen en looplijnen vertaalt in een micro-historische familiegeschiedenis uit het Texas van Vlaanderen.

Tot slot van de behoorlijk gevulde dag was het de beurt aan Aragorn Fuhrmann, onderzoeker bij het ADVN en de Universiteit Antwerpen. Hij trachtte, zo meen ik toch, iets te vertellen over zijn onderzoek naar de homo-erotiek bij kapelaan Verschaeve en de aangrenzende verheerlijking van het mannenlichaam in de tijd van het fascisme en nationaal socialisme. Onderzoek, ten andere, dat nog niet was afgerond. Interessant bovendien! Bekend zijn wat dat betreft toch de “SS-Junkerschulen,” waar de mannenlijven van de aanstaande nationaal socialistische leiders, als belangrijk deel van de opleiding, werden afgetraind. Of de gaaf geboetseerde mannenlijven van de Italiaanse sportlui in het Stadio dei Marmi (Stadion van de Marmeren Beelden), deel uitmakend van het Foro Italico in Rome. Wat Aragorn echter uit de doeken wilde doen – wat men bij erotische affaires toch mag verhopen – bleef, als had hij zowaar een doek in z’n mond gekleefd, voor de toehoorders pudiek verborgen. We verstonden ‘m maar half: een levend bewijs dat Quintilianus, de Romeinse retoricus, al een poos uit de schoolse eindtermen werd geschrapt en het motto van de oude Cato: “Vir bonus dicendi peritus” (een goed man is ervaren in het spreken) al evenzeer! De gave van het woord had Aragorn derhalve niet! De reisgenoot van de Ring (J.R.R. Tolkien), waarnaar hij waarschijnlijk toch vernoemd moet zijn, sprak eerder als een hobbit, tot spijt van het geïnteresseerde publiek.

Na de korte zegen van de Alveringemse burgemeester – zo iets van: ik kon niet aanwezig zijn maar de dag was geslaagd, en nu: santé! – konden de dik 120 deelnemers buiten (het was eindelijk gestopt met regenen) genieten van een receptie, in de prijs inbegrepen en aangeboden door de inrichters. Er werd nog lang nagepraat over het boeiende colloquium. Op weg naar de auto wierpen we even een blik op het graf van zowel Fayat als dat van Verschaeve. Een plaatselijke half zatte slimmerik riep, toen we bij de zerk van de kapelaan stonden, “Auschwitz!” het zwerk in en we beseften meteen dat vzw Kapelaan Verschaeve en het ADVN nog veel werk hebben om de objectieve geschiedschrijving uit het nog steeds onverwerkt verleden te trekken.