Goeiemorgen, politieke paradijsvogels,
Dag allemaal, Karel de Bijter aan de toog van de actualiteit, met een pen scherper dan een Brugs messenmes. Vandaag bijten we ons vast in Conner Rousseau, die jonge vos van Vooruit, die met een grijns zo breed als de Schelde een miljonairstaks uit z’n mouw schudt. Om de pensioenen te sparen, zegt hij. Want ja, de grijze golf komt eraan en wie gaat dat betalen? De rijken, natuurlijk. De échte rijken, die met hun villa’s en jachten, niet de brave sukkels die na veertig jaar zwoegen eindelijk een pensioen bijeen schrapen. Het klinkt als een sprookje uit het rode boekje: Robin Hood in een maatpak, die de armen beschermt door de dikbuiken te melken. Maar wacht even, beste lezers, want in dit sprookje draagt Robin een stropdas van socialistisch satijn, en de pijl mist de roos op een haar na.
Laten we even bij de kern blijven, want Rousseau’s plan is zo doorspekt met mazen dat het lijkt op een visnet waar palingen doorheen glibberen. Een taks op vermogens boven de dertig miljoen, belooft hij, om dat heilige pensioenfonds te vullen. Prachtig, applaudisseer ik, want wie heeft er nou geen medelijden met die arme gepensioneerden die straks met twee euro minder koffie moeten drinken? Maar dan komt de clou: de pensioenen zelf blijven onaangeroerd. Helemaal. Zelfs die van de topambtenaren, die na een carrière van gouden handdrukken en indexeringen straks met een pensioen van honderdduizend euro per jaar de miljonairsclub binnenwandelen. Ja, u leest het goed. Die brave bureaustoelkoningen, die jarenlang beslissingen namen over úw belastingen, vangen straks een levenslange bonus die ze in een decennium tot vermogende grootvadertjes maakt. En Rousseau? Die zwijgt er als een vis over. Geen taksje op die vette ambtenarenpensioenen, nee, want dat zou het eigen nest vuil maken. Want laten we eerlijk zijn: in de coulissen van de Wetstraat wemelt het van die gepensioneerde toppers die nog altijd de touwtjes in handen hebben, fluisterend in de oren van hun opvolgers. Miljonairs na verloop van tijd, maar wel met een socialistisch etiket. Hoe ironisch, hè? Alsof je een dieet belooft maar de slagroomtaart laat staan.
En dan zwijgen we nog over de olifant in de kamer, of beter: de socialistische heilige huisjes die onaantastbaar blijven. De rode vakbonden en ziekenfondsen, die met hun miljardenreserves en gesubsidieerde paleizen de pensioenkas al jaren spekken – of leegzuigen, afhankelijk van je perspectief. Rousseau’s familie zit daar diep in verweven, met moederlief, nonkels en tantes in bestuurskamers waar de champagne vloeit bij elke cao-onderhandeling. Maar nee, geen haar op hun hoofd die eraan denkt om die reserves aan te spreken. Want dat zou heiligschennis zijn, een aanval op de arbeidersbastions die al generaties lang de rode vlag hooghouden. In plaats daarvan wijst Conner met een vingertje naar de anonieme miljonairs, die ergens in Zwitserland of op de Bahama’s zouden zitten. Handig, hè? Zo blijven de eigen bondgenoten buiten schot, terwijl de echte pijn bij de middenklasse terechtkomt. Want vergeet niet: die ‘miljonairs’ zijn vaak gewoon hardwerkende ondernemers die na een leven van risico’s eindelijk een buffer hebben opgebouwd. Maar ach, in Rousseau’s wereld zijn dat de schurken, de Dr. No’s van de fiscaliteit, terwijl de vakbondsbonzen met hun gouden parachutes vrolijk doorvliegen.
Het mooiste? Dit plan komt van een partij die zich nog altijd tooit met de erfenis van de rode leeuwen, die in de jaren zeventig de belastingen zo hoog dreven dat ze de middenklasse in het armenhuis leken te duwen. En nu, in 2025, met de begroting die barst aan alle kanten, gooit Rousseau een aasje naar de senioren: “Ik bescherm jullie pensioenen!” Maar welke? Die van de gewone man, die met een indexatie van twee procent op een brood moet rekenen, of die van de elite die al lang de drempel van de luxe heeft overschreden? En de familiebanden? Die blijven netjes in de schaduw, want in de politiek is familie heilig, zolang er maar rood bloed door de aderen pompt.
Stel u voor: over tien jaar zit Rousseau zelf aan de top, misschien minister van Financiën, met een pensioen op komst dat hem in de miljonairsclub katapulteert. Zal hij dan zijn eigen plan herzien? Of zal hij, net als die ambtenarenvoorlopers, de regels buigen zodat de taks hem mist? Het is de eeuwige dans van de Wetstraat: beloof de hemel aan de kiezer, maar zorg dat de hemelpoort alleen voor de eigen kliek wijd openstaat. En wij, brave burgers, betalen de rekening – niet met miljoenen, maar met zweet en spaarcenten.
Dus, Conner, mijn jongen, als je dit leest: bijt eens in je eigen staart. Het zou verfrissend zijn, voor een keer. Want satire is leuk, maar hypocrisie? Dat bijt écht.