Italië, Wegomlegging naar het Paradijs (deel 1)

Italië is voorwaar de hemel niet, maar men waant er zich toch een behoorlijk stuk dichter bij God.

Dit heeft van verre natuurlijk iets te maken met de nabijheid van het Vaticaan, opvolger van de ooit zo machtige Kerkelijke Staten; niets echter met de rijkelijk schijnende zon (die deze zomer soms een dipje liet optekenen) en nog veel minder met politieke grootspraak, voornamelijk van links, bijwijlen ook van rechts. Het paradijselijke van het land zit ‘m in eerste instantie geknoopt aan het Italiaanse volk zelf en zijn onveranderlijke routines.

Routine

Routine is een moeilijk woord. In het Germaanse Noord-Europa spoort het begrip naadloos met sleur en slameur, met een vervelende, gewis te doorbreken regelmaat. In onze contreien spint links aardig wat garen bij deze connotatie, want werkelijk niks mag hetzelfde blijven, alles moet veranderen, hoewel bitter weinig finaal ook beter wordt. De progressieve drang tot verandering blijft in het Germaanse noorden bergen gezond verstand en deugdelijke levenswijsheid wegvreten, vertrouwde en op mensenmaat ontworpen stads- en landschapsbiotopen ontwrichten en laat etterende, ja botweg decadente kankergezwellen van ontwortelende ontreddering en verdwazing op de verder ongerimpelde huid van het beleden dagelijkse leven gedijen. In het Latijnse zuiden rijmt routine daarentegen nog steeds op oriënterende zekerheid en rustige alledaagsheid. Ginds blijft routine de onmisbare schakel in de DNA-keten van een volk dat vaardig en bedreven zijn impliciete identiteit viert, dat gemeenschappelijke tradities koestert als hoeksteen en fundament van het eigen ego en een na te streven toekomst niet kan of wil los zien van een bergend en zingevend verleden.

Kaas met Beestjes

Dat uit zich op verschillende wijzen. Een Italiaan die ’s morgens caffè of cappuccino (nooit ná 11 uur ’s morgens) en een “brioche” (lege of gevulde croissant) nuttigt, sublimeert z’n alledaags ontbijt gelijk tot religie. In de nacht van San Lorenzo (10 augustus) tuurt hij samen met familie of vrienden naar de voorbijtrekkende meteorenzwerm der Perseïden en spreekt bij elke vallende ster (elke “lacrima di San Lorenzo” of traan van Sint-Laurentius) een persoonlijke wens uit, onderwijl het vaststaand versje prevelend: “Stella, mia bella stella, desidero che …” (Ster, mijn mooie ster, ik wens dat). Natuurlijk komen niet alle wensen uit, dat weet de Italiaan ook, maar geen obscure woordenbrij van welk Antwerps bestuursakkoord dan ook dat qua verbindend karakter hogere ogen weet te gooien. Samen met Kerstmis is Ferragosto (15 augustus, Tenhemelopneming van Maria) het belangrijkste feest van het jaar en geen Italiaan die eraan kan ontsnappen, meer nog: geen Italiaan die eraan wil ontsnappen. Behalve in het hart van de toeristische centra zijn schier alle winkels gesloten, ook in grootsteden als Milaan! Maar dat is nu eenmaal zo, en geen levende ziel die het anders zou willen. En dan is er nog het verhaal van de Bitto-kaas, een der oudste kazen ter wereld en Keltisch van oorsprong. Hoog in de Valtellina (bergketen in Lombardije, provincie Sondrio) wordt de kaas door herders gemaakt die met hun kudden koeien en geiten ’s zomers de alpenwei intrekken en in de “calècc” (een typische, stenen structuur met golfplaten dak), onmiddellijk na het melken van de beesten, de Bitto-kaas prepareren (80% koe, 20% geit) die met gemak 10 jaar en meer kan rijpen. Pokkeduur, maar een zegen voor de tong!

Tot Europa zich er mee ging bemoeien en omwille van verkeerd begrepen hygiëne en historisch onverantwoorde geografische omschrijvingen en afbakeningen het industrieel alternatief voor de kaas (zonder geitenmelk) een authenticiteitslabel schonk. De échte Bitto, die door de koppige Italianen nog steeds voor lokaal gebruik wordt geproduceerd (uitvoer is sinds de EU-interventie niet meer mogelijk), heet thans (o.a.) Pescegallo-Foppe en smaakt voortreffelijk; nog het meest als culinaire middelvinger naar de zoutloze EU-ambtenaren! Het is slechts een van de hartverwarmende staaltjes weerbarstige Italiaanse traditie, waarvoor de Brusselse klerken de zwart beïnkte duimen moeten leggen. Inheemse goedaardige bacteriën moeten worden geweerd, maar toxische insecten uit den vreemde krijgen een vrijgeleide om ons westers dieet te verrijken: de “allochtofilie” heeft zich werkelijk tot in de kleinste hoekjes van de EU-ideologie genesteld! En daar moet men dus in het nog fiere Italië een stuk minder mee afkomen. Italië barst ondertussen van heel kleinschalige landbouwinitiatieven die het container-etiket “biologisch” niet zien als smoes voor gratuite prijsverhogingen, maar als stapsteen naar een vollere smaakervaring. In het zuiden van het land gebeurt dit meestal onder de vorm van coöperaties (die bovendien het draagvlak aantasten voor de maffia), in het noorden onder de vorm van familiebedrijfjes; niet zelden verbonden aan de uitbating van een (al dan niet sterren-)restaurant. Over heel het land bereiden (sterren)chefs originele gerechten uit eigen tuin, wat de agrarische biodiversiteit bevordert en het smakenpalet verdiept. Wie er een supermarkt binnenstapt, wordt overdonderd door een waaier aan ongekende groenten- en kruidensoorten en de vleestoog biedt nog uitzicht op het ganse dier, waar geen vezel van verloren gaat.

Artisanale Landbouw als Economische Basis

De regering Meloni erkent bovendien de eigen landbouwsector als basis van de Italiaanse economie en steunt voluit, zowel financieel als structureel, haar boeren die dicht bij de aardbodem wroeten tot een beter product, vaak zelfs in aartsmoeilijke omstandigheden. Van een nietsontziende Koerdische Boerenoorlog, gevoerd op basis van pseudo-ecologische voorwendsels maar met de vlijmscherpe pijlen gericht op de decennialange christendemocratische kernbekommernissen, is in de laars geen sprake. La Giorgia en haar regering regeert met oog voor haar burgers, niet op de kap ervan. Italië kent van oudsher trouwens een landcultuur, zelfs in de talrijke kustgebieden van het schiereiland. Dat was al zo in de Romeinse tijd; het is nooit veranderd. Op de Po-vlakte rond Milaan na – waar zich de rijstvelden uitstrekken – eisen de ruige, ongepoetste en mystieke bergen eerbied op voor de natuur en dwingen de Italiaan tot kleinschaligheid en artisanaliteit. Op deze ingeschapen noodzaak is ook de Italiaanse mentaliteit geënt, die oprecht mag gelden als antidotum voor de in alle opzichten cultuur nivellerende globalisatie. Italianen leven veel dichter bij, van, met en in de natuur die veeleer noopt tot het respectvol bewaren ervan dan er technologisch over te triomferen. Een niet mis te verstane les ten andere voor de vals-ecologische en pseudo-groene industrie uit het noorden van Europa, greendeal en “vaste doppen op de fles” inclusief! De Italiaanse, eerder conservatieve en traditionele geestesgesteldheid sluit daarom nog steeds nauw aan bij het katholicisme, niet alleen vanwege de geografische nabijheid van de paus, maar omdat het ten diepste doordrongen blijft van een katholiek – derhalve universeel – rentmeesterschap dat nog door geen groenlinkse fundi kon geëvenaard worden.

Die hartverwarmende spirit toont zich op menig vlak. In een vorig artikel gingen we al dieper in op de “sacraliteit van de bodem” die in Italië nog steeds algemeen beleden wordt. Daarvan dan volgend concreet voorbeeld. Wie er niet tegen opziet zich op een steile klim in het zweet te werken en in Argegno, een boogscheut voorbij de stad Como aan het gelijknamige meer, de bergen intrekt om de “Sentiero delle Espressioni” (bergpad van de beelden) te lopen, komt op het dak van het meer dat, zoals bekend, de vorm heeft van een omgekeerde Y. Op de top van de hoogste berg tussen Como en Bellagio wordt de wandelaar beloond met het zicht op de paradijselijke Como-tak die zich onder zijn ogen uitspreidt. Tussen eeuwenoude ruwe bergflanken, millennia geleden gevormd door het antagonistisch geweld van de tektoniek, onderaan stevig begroeid met diepgroene bospartijen en bovenaan onafgebroken hun onverzettelijkheid betuigend in elke grillig gecomponeerde rotspartij, stroomt azuurblauw en vredig het meer als streepje fris en levend water, in toom gehouden door die kolossen van ijzingwekkende natuurkracht in steen. Tegen de waterlijn liggen, haast in miniatuur, onooglijke dwergdorpjes die, van bovenuit bekeken, de mens obligaat dwingen tot bescheidenheid. Over de bergen heen ziet men, een stuk verder weg, de in de hitte trillende, grijsblauwe schaduwen van de Monte Resegone, embleem van die andere tak van het meer, zich een weg slingerend naar de stad Lecco. Ook van daaruit zijn magistrale bergpaden te beklimmen, naar Piani d’Erna of Resinelli bijvoorbeeld, die even machtige panorama’s bieden in de tegenovergestelde richting. Rechts wordt, heel in de verte, vaag verschiet geopend op de Lepontische Alpen; links daarentegen, achter Monte Barro, strekt zich de rimpelloze Po-vlakte uit tot in (en voorbij) de stad Milaan die, bij helder weer, de blik van de schouwer streelt.

Op de toppen van de Prealpi, waartussen het Comomeer als een kostbaar lapis lazuli-juweel ligt te glinsteren, draagt het oog ver. Eén brok ongereptheid ontvouwd zich aan ’s mensen voeten. Wie er ontvankelijk voor is, kan er bij dit nederig turen naar zoveel overrompelende en ontzagwekkende oerkracht en zelfs zonder al teveel fantasie, maar met des te meer ootmoed, de “numenrijke” hand Gods in herkennen. Nergens echter, maar dan ook werkelijk nergens, niet op de winderige en zonovergoten bergflanken, noch op de even winderige of zonovergoten “pianura padana” (de Po-vlakte) – het meest geïndustrialiseerde gebied van de Laars – bemerkt men enig veil en verstorend spoor van fauna-, flora- of landschapsvernietigende windmolens, en evenmin van zwartgeblakerde zonnepaneelparken die onze noordelijke contreien zo afgrondelijk teisteren. Wie dicht bij, van en in de natuur leeft, heeft geen boodschap aan industrieel groene (sic?) voorwendsels om ecologisch te leven. Hij doet dat “van nature.” Eenzelfde oefening kan trouwens gemaakt worden voor de Heilige Toscaanse heuvels van Midden-Italië of het mysterieus en ondoorgrondelijk Aspromonte-gebergte in het uiterste Zuiden. En waar men die godsgruwelijke moordmachines of zwarte weide-vretende schijven wél ziet, op Sicilië en off-shore voor de kust van de havenstad Taranto (Puglia), zijn ze stevig in handen van de maffia. Vergeet drugshandel of het dumpen van chemisch afval, de maffia gaat voor subsidies. 180 euro per geproduceerde kilowattuur! Dat liet Vito Nicastri, zakenman, bijgenaamd “Signore dei Venti” (de Heer der Winden) en gelieerd aan Matteo Messina Denaro, de nummer één van de Siciliaanse maffia, zich geen twee keer voorrekenen. Na 6 jaar onderzoek van zijn 40-tal bedrijfjes werden activa van dik 1,9 miljard in beslag genomen: de grootste maffiavangst ooit en allemaal netjes en zonder controles betaald door de ideologisch vastgeroeste klimaatblinden van de EU.

Daarom koos de regering Meloni, bij monde van haar minister voor Milieu en Energiezekerheid (let op het samenspel van bevoegdheden!), Gilberto Pichetto Fratin (Forza Italia), resoluut en overtuigd voor kernenergie. Het is de enig mogelijke logische beslissing: voor het milieu en tégen de maffia. Overigens verschilt de situatie in Noord-Europa niet zo gek veel van die in het zuiden: alleen speelt de Brusselse greendeal-maffiabende van Von der Leyen en Timmermans het zonder de minste totalitaire schroomvalligheid en bloedarrogant. Ach, de maffia, het blijft toch de “rietstengel” van de moderne samenleving: beresterk en invasief, kan de stroom van riviertjes verleggen en zelfs als het met wortel en tak wordt bestreden, heeft het weinig nodig om terug op te schieten. Kortom de maffia is onuitroeibaar, zowel ten noorden als ten zuiden; alleen heet ze in het noorden “politiek”, maar blijft ze in het zuiden “sottobanco” (onder de tafel). En toch blijft het verhaal van de Italiaanse maffia dubbel. De puinhoop, die de Italiaanse linkerzijde is geworden, blijft de zuiver -, neo-, post- of crypto-fascistisch gewaande regering Meloni voor de voeten werpen dat ze de maffia faciliteert. Daar zit natuurlijk de volgehouden strijd van justitieminister Carlo Nordio (Fratelli d’Italia), ooit zelf procureur, tegen het activistisch togatuig voor iets tussen. Maar daarom steun je de maffia nog niet. Ook Italiaans links bewijst er voor de zoveelste keer mee elke aanzet tot historisch inzicht te ontberen. Want wie trok ooit ten strijde tegen de maffia? Inderdaad, die vervloekte fascisten. Toen Mussolini, als nieuwbakken eerste minister van het koninkrijk Italië, in mei 1924 Sicilië met veel machtsvertoon bezocht, deed hij ook Piana dei Greci (eertijds Piana degli Albanesi) aan, waar hij ontvangen werd door sindaco (burgemeester) en capo (maffiabaas) Francesco Cuccia, alias don Ciccio.

**

Lees alle delen achter elkaar

Italië, Wegomlegging naar het Paradijs (deel 1) – Klik HIER
Italië, Wegomlegging naar het Paradijs (deel 2) – Klik HIER
Italië, Wegomlegging naar het Paradijs (deel 3) – Klik HIER
Italië, Wegomlegging naar het Paradijs (deel 4) – Klik HIER
Italië, Wegomlegging naar het Paradijs (deel 5) – Klik HIER
Italië, Wegomlegging naar het Paradijs (deel 6) – Klik HIER
Italië, Wegomlegging naar het Paradijs (deel 7) – Klik HIER

**

Illustratie: #BittoStorico #slowfood #valgerola #valtellina #passie #kaas

**