ORANIA, EEN BLIJVERTJE

Ik lees over de versoepelde visumvoorwaarden in de VS door toedoen van president Trump, ter ondersteuning van de Zuid-Afrikaanse boeren.

Mijn gedachten dwalen af naar mijn reis met bestemming Zuid-Afrika, en meer specifiek Orania.

We vlogen op Kimberley, ooit een welvarende diamantstad. Nu blijft enkel “Die Groot Gat” over als bezienswaardigheid, dat zegt genoeg. Wij stapten in een SUV en gingen op weg naar Orania, over een eindeloze, eentonige weg met regelmatig vrachtwagens vol erts. Naar verluidt erts voor China, China dat ook de weg had aangelegd en betaald, gelukkig voor ons van goede kwaliteit.

We reden door de Karoo, een dorre steppe met een eindeloos niets. We stopten bij een barak die de slager bleek te zijn, en daar kochten we gedroogd vlees, “biltong”, in alle smaken. Ik had het ooit in België gegeten, net een lederen schoenzool, maar hier, vers gemaakt, viel het enorm mee.

We reden door een township, huizen van golfplaten, het ene al wat beter dan het andere, samengevat: armoedig. Daar was het linksaf, eindelijk een bocht in de weg.

We vervolgden onze weg in het grote niets tot het landschap plots groen werd en grote sproeimachines in een rondje draaiden.

We naderden Orania, gelegen rondom de grote weg met een oppervlakte van 8,95 km², in 1991 regulier gekocht. Een “Whites Only” ministaatje in het dorste en minst bevolkte gebied van heel Zuid-Afrika, dat in totaal 1,22 miljoen km² telt.

We werden heel vriendelijk verwelkomd door plaatselijke vertegenwoordigers van Orania. We kregen algemene informatie over het aantal inwoners, zo’n 3.000 mensen. De Oranjerivier die door het ministaatje kronkelde was de levensader van de gemeenschap. Mijn verlangen ging echter meer uit naar de aangeboden frisse pint, die ik snel verzwolg.

Tijdens ons verblijf kregen we verschillende rondleidingen waarin ons verteld werd over de ziel van Orania en dat de regel dat alleen witte mensen er mogen wonen en werken letterlijk werd genomen; je zag er inderdaad geen enkele zwarte of bruine mens. De Afrikaner deed al het handwerk zelf, zelfs het toilet poetsen, er werd geen beroep gedaan op anderen.

We reden langs de Oranjerivier, ik zat klaar met mijn Kodak, maar tot mijn spijt geen nijlpaard of krokodil te zien, jammer. Gelukkig had ik al een giraf gezien, weliswaar op een vrachtwagen, maar daarover later meer.

Onze gids vertelde dat het er vrijwel zelden regent. Toeval wou dat toen de eerste druppels op de voorruit spatten; we belandden in een ware storm met blikseminslagen die branden veroorzaakten. Allé, dat moest ons weer overkomen. Later hoorden we van een boer dat de net aangekomen giraf was doodgebliksemd.

De boer nodigde ons uit op een soort fototocht. We werden in een pick-up gehesen met zitbankjes. Na enkele uren, helemaal door elkaar geschud, kwam de boer met het idee om het middagmaal op zijn boerderij te nuttigen. Op de rondreis met de boer hadden we enkele springbokken gezien, een schildpad en ook een paar poemba’s. Dat laatste beviel de boer niet, en we werden meegesleurd in een achtervolging van de familie poemba, die niet welkom bleek in de omgeving van de boerderij omdat ze de omheiningen vernietigden, en dat terwijl er kilometers en kilometers aan omheiningen stonden. Na wat omzwervingen en geweerschoten van de boerenknecht bleken de poemba’s ons te slim af te zijn. Gelukkig, we konden gaan eten: springbok in allerlei variaties, van worst tot gebakken, en warempel geen giraf. Toch wat stugge, ruige mensen, die boeren daar, maar wel vriendelijk. Ze behoren niet tot de hechte gemeenschap van Orania, maar kunnen wel rekenen op de steun van Orania, zo’n 50 km in de omtrek. Omdat ze niet direct onder Orania vallen, werken de boeren wel met ‘bruinmensen’. Boeren worden nog altijd aangevallen door zwarte bendes en in het beste geval bestolen, in het slechtste geval vermoord.

Later leerden we de “Safety Services” van Orania kennen, waaronder de politie, brandweer en medische hulp vallen, ondergebracht in een nieuw gebouw dat wat op een gefortificeerd complex lijkt. Ik vroeg of we binnen mochten kijken, maar dat lag moeilijk. Na wat aandringen kon het toch. Het omvatte een kleine kliniek, een staanplaats voor voertuigen en een immense controlekamer waar ze de hele streek tot in het kleinste detail konden monitoren. Op het dak stonden boxen met enorme drones, geen speelgoed. Tot slot mocht ik even in de gevangenis plaatsnemen, maar ik mocht direct weer vrij, oef.

’s Avonds werd er een ‘braai’ gegeven, een ander woord voor BBQ, gevolgd door een kampvuur. Onze reisleider zei dat de inwoners van Orania wat terughoudende, naar de leer levende mensen zijn, dus ik moest me kalm houden. Maar na een fles wijn kon ik me niet meer bedwingen en begon ik “Sarie Marais” te zingen. We hebben de hele avond gezongen, dat hadden ze zelden meegemaakt. Ze zouden ons niet licht vergeten. De Oraniërs zijn protestants, dat voelde je aan het gegluur achter de gordijntjes en op zondag iedereen op z’n paasbest naar de kerk.

Je kunt niet zomaar in Orania gaan wonen; je moet iets bijdragen aan de gemeenschap. Zo kwamen we een Duitser tegen die zich daar had gevestigd, maar ongelukkigerwijs rooms-katholiek was. Dat viel moeilijk, en het heeft lang geduurd voor hij volledig werd aanvaard. Hij had echter een pluspunt: hij kon bier brouwen. Dus gingen we zijn brouwerij opzoeken, en daar werd het lied weer aangezet, maar dan met een Duits tintje.

Er is ook een heilige berg in Orania met een plek voor beelden (zie foto), die ze opkopen of van het stort halen. Beelden van witte mannen zoals Kruger en andere bronzen beelden van voor mij onbekenden. Het Kruger-borstbeeld bleek van polyester te zijn, maar een kniesoor die daarop lette.

Samengevat is het de moeite waard om de Oraniagemeenschap te bezoeken. Je kunt hiervoor contact opnemen met de Orania Beweging via [email protected]. Omdat ze constant op hun hoede moeten zijn voor aanvallen en het onderhoud en de uitbouw van Orania veel geld kosten, kan je ook een bijdrage storten via www.orania.co.za onder ‘Donasies’. DOEN. Veel van hen vinden het gebaar van president Trump mooi, maar ze blijven liever in eigen land.

Ben El Salami