Parallellen tussen Fascisme en Antifascisme
Twee Kerstmissen; Twee Manifesto’s
“Ooit werd in Italië tot twee keer toe Kerstmis gevierd: de katholieke Kerstmis op 25 december en de zogenaamde “Kerstmis van Rome” op 21 april; dag waarop de stichting van de stad werd (en wordt!) herdacht. Het geboortefeest van Rome werd geïntroduceerd door Benito Mussolini en gold toen als het fascistische Kerstmis.” – Zo begon Rosario Gennaro, docent aan het departement Vertalers en Tolken van de Universiteit Antwerpen, op 4 december zijn voordracht voor de leden van “Dante di Anversa,” de organisatie die in ons land verblijvende Italianen en liefhebbers van het land en de taal wil verenigen rond thema’s die te maken hebben met de Italiaanse geschiedenis en cultuur. Onderwerp van de avond betrof het op 21 april 1925 in de fascistische krant “Il Popolo d’Italia” (het Italiaanse Volk) verschenen “Manifesto degli Intellettuali Fascisti” (Manifest van de Fascistische Intellectuelen) en de op 1 mei in “Il Mondo” (onafhankelijk avondblad dat werd uitgegeven tussen 1922 en 1926, toen het door het regime werd verboden) verschenen “Risposta di Scrittori, Professori, Pubblicisti Italiani al Manifesto degli Intellettuali Fascisti” (Antwoord van Schrijvers, Professoren en Publicisten op het Manifest van Fascistische Intellectuelen). Mondje vol om maar niet te spreken van het beknoptere “Antifascistisch Manifest,” dat niet in dank zou zijn afgenomen door de fascistische partij, de PNF (Partito Nazionale Fascista).
Het “Manifesto” is van de hand van filosoof Giovanni Gentile – die samen met Mussolini (er bestaat een manuscript waarin Il Duce zelf verbeteringen aanbrengt) de tekst componeerde – en werd door 280 intellectuelen ondertekend; de “Risposta” (al naargelang de versie ook “Replica” genoemd) vloeide uit de pen van de filosoof, historicus, literatuurcriticus en liberaal politicus Benedetto Croce en verzamelde 264 handtekeningen. Samen dus 544 intellectuelen die, in de woelige jaren twintig, bewust voor deze of gene kant kozen, ook al bestond op dat moment de term intellectueel nog niet bijster lang! Cultuurhistorisch wordt de term meestal gekoppeld aan het “J’accuse!” van Emile Zola die, op 13 januari 1898 met zijn pamflet in de krant l’Aurore, uithaalde naar de gang van zaken in de fameuze Dreyfusaffaire. Als later de rechtsfilosoof en ideeënhistoricus Norberto Bobbio zal beweren dat het fascisme een “staatsvorm zonder ideologie” is, heeft hij dus ongelijk. Het fascisme had weldegelijk een ideologie, was weldegelijk een door intellectuelen ondersteunde staatsvorm, aanvankelijk en niet op laatste plaats, door de futuristen van Filippo Marinetti en de “Artecrazia” (de kunst regeert de wereld) van dandy Gabriele D’Annunzio.

Dat echter het fascisme op het moment van beide Manifesto’s in behoorlijk zwaar weer verkeerde, is wel correct! De gevolgen zullen ten andere niet lang uitblijven. Ten tijde van de publicatie beleefde het fascisme van Mussolini immers zijn bocht naar het totalitarisme. Niet lang daarvoor, op 10 juni 1924, werd het socialistische kamerlid Giacomo Matteotti ontvoerd en vermoord door een squadra d’azione (fascistische knokploeg) onder leiding van Amerigo Dùmini (zoon van Amerikaanse emigranten, eerst bolsjewiek, later stichter van de Fascio di Firenze). Matteotti’s lijk zal pas op 16 augustus van dat jaar in Riano, op 20 km. van Rome, teruggevonden worden. Op 6 april van dat jaar had de PNF de verkiezingen overtuigend gewonnen, zij het met de hulp van de Acerbo-wet (genoemd naar de Abruzzese Giacomo Acerbo, baron van Aterno), die twee derde van de zetels toekende aan de grootste partij, op voorwaarde dat die 25% van stemmen behaalde. De PNF zat nu stevig in het zadel, maar Matteotti – de man die de staatsbegroting las als een roman (SCURATI, A., De Zoon van de Eeuw, Podium, Amsterdam, p. 763) – had er in het Montecitorio (Kamer van Afgevaardigden) mee gedreigd onregelmatigheden aan het licht te brengen, wat menig fascist verontruste.
De Moord op Matteotti
Op 10 juni zitten vijf Arditi (“Dapperen”: speciale eenheid uit WO I) Matteotti op te wachten in een gehuurde Lancia Lambda voor zijn woonst aan de Via Giuseppe Pisanelli, 40 te Rome (in de wijk Flaminio). Het zijn Amerigo Dùmini (chauffeur), Giuseppe Viola, Albino Volpi, Augusto Malacria en Amleto Poveromo. Buiten is het heet en het vijftal torst het uitbundige leven van de laatste dagen reeds met zich. Op kosten van de partij (penningmeester Giuseppe Marinelli trakteerde) hebben ze meer dan een week zitten zuipen, vreten en neuken, maar nu lonkt de actie! Het is 16.40 uur als een man in licht pak, witsuède schoenen en bijpassende das het gebouw verlaat. Onder zijn arm draagt hij een witte map. Het vijftal is verbluft want de man draagt geen hoed! Zelfs in deze hitte getuigt het niet van fatsoen om blootshoofds de straat op te gaan, a fortiori niet in modebewust Italia. Het is Matteotti, de luis in de fascistische pels en ook bij de eigen achterban niet onverdeeld geliefd. Hij kiest er voor, tegen z’n ijzeren gewoonte in, om langs de Tiber te wandelen, waar veel volk geniet van de lentezon. De Lancia volgt hem en wacht het juiste moment af. Plots worden de portieren van de limousine opengegooid. Als eerste bespringt Malacria het slachtoffer, maar hij struikelt en valt op de grond. Dan is het de beurt aan Volpi. Maar Matteotti weert zich sterker dan verwacht. Het kamerlid, dat met zijn wijkende tandvlees veel weg heeft van Belà Lugosi in de glansrol van Count Dracula, houdt stand en laat ook Volpi in het zand bijten.
Dan mengt zich Amleto Poveromo, een slager uit Lecco. Met zijn slagersvuist beukt hij staalhard in op de slaap van het slachtoffer. Matteotti zijgt neer en is buiten bewustzijn. Terwijl Dùmini het stuur houdt en een vluchtweg bedenkt, hijsen de vier anderen, ieder aan een arm of been, het bewusteloze slachtoffer de auto in. De chauffeur geeft plankgas en scheurt met de Lancia over de Milvische Brug en verder de stad uit in noordelijke richting. Onderweg komt Matteotti opnieuw bij. Hij geeft de strijd niet op maar verweert zich als een duivel, zelfs wanneer hij op de achterbank van drie ontvoerders behoorlijk rake klappen krijgt. De herinneringen aan die andere keer lijken hem nog helder voor de geest te staan, toen hij in zijn thuisregio, de Veneto, in mekaar getimmerd werd en een wapenstok in z’n rectum gedreven kreeg. Met zijn voet breekt hij de ruit tussen de cabine en de bestuurdersplaats; Dùmini zit onder de scherven. Matteotti roept en tiert als een beest maar de toeter van de wagen overstemt z’n hulpkreten. De felheid van zijn verzet vermindert echter. Zijn kreten maken langzaam plaats voor een rochelende doodsreutel. Als Dùmini zich omdraait, ziet hij het leven uit de politicus wijken. Matteotti wordt lijkbleek. Hij verstilt. Uit zijn mondhoek druppelt een straal bloed. Volpi heeft hem de genadeslag gegeven: Giacomo Matteotti is niet meer.
De Nasleep van de Moord: de Bocht naar het Totalitarisme
Nooit werd helemaal duidelijk of Mussolini de opdracht voor de ontvoering of moord gaf. Ook nu nog, zoveel jaren later, weet men niks met zekerheid. Misschien uitte de Duce enkel een verwensing die door een stel ondergeschikten iets te letterlijk werd opgevat. Het zou trouwens niet de eerste keer in de geschiedenis zijn! In 1170 fulmineerde koning Hendrik II van Engeland: “Will no one rid me of this troublesome priest?” (ander versies circuleren), waarna vier ridders de gefrustreerde exclamatie als bevel opvatten, zich naar Canterbury reppen en de aartsbisschop Thomas Becket met hun zwaard doorboren. Zelfs Nicolas de Camargue, de ijlbode die door Hendrik achterna werd gezonden, kon de moord niet meer voorkomen. Of Mussolini de moord op Matteotti had kunnen voorkomen, zal voor immer in de mist der tijden gevangen zitten. Zeker is wél dat toen de witte map, die Matteotti onder de arm droeg, op het bureau van de Duce werd gelegd, hij geen verdere uitleg behoefde. Op 13 juni, drie dagen na de ontvoering en moord, werd Velia Titta, Matteotti’s nog onwetende weduwe, door de minister-president ontvangen. De Duce zei niets over de zaak te weten en beloofde de weduwe alles in het werk te zullen stellen om haar man te vinden; dat echter was manifest gelogen!
De moord brengt Mussolini op het randje van de afgrond. Hij lijkt, zo kort na de verkiezingen, de teugels al te verliezen. Op 26 juni gaan 130 leden van Kamer als protest tegen de verdwijning van Matteotti (zijn lijk was nog niet gevonden) in staking en verschijnen niet meer in het halfrond. De staking wordt – naar de secessio plebis (de terugtrekking van het plebs in het Romeinse Rijk) op de “Mons Sacer” (de heilige berg of Aventijn) – “de Aventijnse secessie” genoemd. Aan de Via Giuseppe Pisanelli, 40 worden massa’s bloemen neergelegd. Matteotti wordt, overigens niet alleen in Italië, een martelaar. (In ons land werd niet later dan 1927 een Matteotti-monument van de hand van War Van Asten in het Volkshuis van Brussel ingehuldigd, toen nog de grootste Art-Nouveau-tempel van Victor Horta. In 1965 werd het Volkshuis afgebroken. Ook toen kon het luide volksprotest de politici niet deren. De Art Nouveau-parel maakte plaats voor de schreeuwlelijke Zaveltoren. Dat heet dan vooruitgang, meneer! Stukken van het Volkshuis begonnen aan een reis door België en werden finaal verwerkt in het Grand Café Horta te Antwerpen; een pyrrusoverwinning voor het erfgoed. Het Matteotti-monument van Van Asten verhuisde naar Petit Wasmes, een vlek aan de Franse grens. Socialisten en geschiedenis? Het blijft een moeilijk te consumeren huwelijk; vandaar wellicht dat ze de historie steeds willen herschrijven.) Met Mussolini gaat het ondertussen van kwaad naar erger. Hij lijkt depressief, is niet meer zeker van zichzelf, ziet overal complotten. Tot zijn naaste medewerkers hem voor een voldongen feit zetten: het is erop of eronder.
We schrijven 3 januari 1925. Om 15.00 uur is het Montecitorio tot de nok gevuld, op een paar lege socialistische banken na. Afgevaardigde Roberto Farinacci loeit onverhoeds het “Viva il fascismo!” door de Kamer, de knokploegleden heffen het “Giovinezza” aan, de hymne van de PNF. Al een paar dagen gonzen door politiek Italië geruchten van Mussolini’s aftreden. Luttele minuten later treedt de Duce zelf binnen, gevolgd door Antonino Di Giorgio, minister van Oorlog, Luigi Ferderzoni, minister van Binnenlandse Zaken en Galeazzo Ciano, de duce’s schoonzoon, wiens politieke carrière nog moet beginnen. Mussolini neemt het woord: “Is er iemand die gebruik wil maken van art. 47?” Verwezen wordt naar het art. 47 van het Statuut van het Koninkrijk, waarin een soort van Italiaans impeachment wordt geregeld. Niemand staat op. Ook de stoere socialisten niet. De fascistische afgevaardigden veren recht en beginnen luid te applaudisseren voor hun voorman. “Welnu, heren,” zo vervolgt Mussolini, “ik verklaar tegenover deze assemblee en het Italiaanse volk dat ik, en ik alleen, de politieke, morele en historische verantwoordelijkheid op mij neem voor alles wat er is gebeurd. Was het fascisme slechts wapenstok en wonderolie? Dan is het mijn schuld! Was het fascisme slechts een samenzwering? Dan ben ik er de leider van.” En weer zwijgt iedereen als een graf, niemand staat op. Daarop veert de zaal geestdriftig recht en brult als één man: “Allen met U! Allen met U, minister-president!” Mussolini zit terug stevig in het zadel, het fascisme is gered.
Zaak is nu het fascisme filosofisch te expliciteren. Daartoe schrijven Giovanni Gentile en Benito Mussolini hun “Manifesto degli Intellettuali Fascisti,” gepubliceerd op 21 april, op de fascistische Kerstmis. Op 1 mei van datzelfde jaar, op de dag van de arbeid, antwoordt de liberaal Benedetto Croce met zijn “Risposta.” Beide Manifesten staan haaks op mekaar. Voor de fascisten krijgt de staat maximale voorrang op het individu. De Amerikaanse historicus Robert O. Paxton schrijft in zijn “The Anatomy of Fascism” dat het fascisme de staat vervoegt in de 3de persoon enkelvoud, met andere woorden: niet “wij” zijn de staat (l’État, c’est nous), maar de staat wordt een aparte entiteit of grootheid (l’État c’est lui). Croce ging niet akkoord. Hij dicht de staat een minimalistische uitstraling toe. De staat heeft slechts de arena te faciliteren waarin het individu, zo onafhankelijk mogelijk, tot ontwikkeling kan komen. Voor Croce was het fascisme “una malattia morale” (een morele ziekte). Het kostte hem weliswaar zijn vriendschap met Gentile, waarmee hij vanaf 1903 tot 1937 het cultureel-filosofische blad “La Critica” uitgaf, evenwel niet zijn leven. Croce stierf in 1952 een natuurlijke dood, na een lang (hij werd geboren in 1866) en productief leven. Maar zo verging het gewis niet elke tegenstander van het fascisme.
De Staat en zijn Afvalligen
De radicale liberaal (d.i. progressief!) en rabiate antifascist Giovanni Amendola stierf in 1926 te Cannes (Frankrijk) aan de gevolgen van kwetsuren die hij een half jaar voordien opliep toen hij, nabij Pieve a Nievole (Toscane), in een hinderlaag was gereden en afgetuigd was geworden door plaatselijke squadristi (knokploegen). Amendola muntte bij leven het begrip totalitarisme, dat hij exclusief reserveerde voor het fascisme, hetwelk hij onderscheidde van een conventionele dictatuur. Gentile zal later datzelfde totalitarisme op positieve wijze duiden als een “totale” representatie van de fascistische natie en een totaalmodel voor nationale objectieven. In hetzelfde jaar stierf de door Antonio Gramsci beïnvloedde antifascist Piero Gobetti in Neuilly-sur-Seine (Parijs) aan een hartaanval. Ook hij ontvluchtte Italië na een onzachte ontmoeting met een zootje zwarthemden. Zijn hartfalen was wellicht het gevolg van de eerder opgelopen letsels. Hij ligt in Parijs begraven, op Père-Lachaise. In totaal stierven tijdens het Ventennio (twintig jaar fascisme) tweeduizend interne tegenstanders, zo wordt geschat. Het nazisme kostte aan aanzienlijk meer opponenten het leven (los van de Holocaust). Hun aantal wordt, met een behoorlijk grote vork, geschat op 17- tot 77.000 zielen. Het Franquisme spande de kroon met 150.000 onfortuinlijken. Maar – terwijl elk ideologisch slachtoffer er één teveel is – blijft het een macabere peulenschil in vergelijking met het aantal betreurden onder de communistische regimes, die door het zichzelf toch zo moreel wanende links nog steeds volkomen straffeloos, en in het beste geval slechts stiekem, bezongen worden en nooit ofte nimmer werden verloochend, noch afgezworen.
In 1925, na de moord op Matteotti, nam het Italiaans fascisme de afslag naar het totalitarisme. In 1926 werden weliswaar te Chieti (Abruzzen) enkele moordenaars van Matteotti berecht (Albino Volpi, Amerigo Dùmini en Amleto Poveromo kregen elk 6 jaar cel, doch zaten hun tijd niet uit), hoewel vragen kunnen worden gesteld bij de ernst waarmee de zaak gevoerd werd. (Eerst in 1947 zullen Dùmini, Giuseppe Viola – bij verstek – en Poveromo tijdens een nieuw proces tot levenslange detentie veroordeeld worden, nadien omgezet tot 30 jaar. Volpi is dan al 8 jaar dood; Malacria al 13 jaar. Poveromo sterft in 1953 in zijn cel en Dùmini komt in 1956 krachtens een amnestiewet maar ná een cassatieprocedure definitief vrij. Hij sterft in 1967, met Kerstmis (de échte). Viola is reeds vroeger uit Italië gevlucht; van hem werd nooit meer iets vernomen.) In 1936 gaat het Italiaans fascisme dan op de knieën voor het nationaal socialistische Duitsland waarmee het, samen ook met Japan, de as vormde en waarvan het – dan pas! – het antisemitisme erfde. In september 1943, na de wapenstilstand en de installatie van maarschalk Pietro Badoglio als premier, werd de fascistische rest-staat, de RSI (Repubblica Sociale Italiana ), een Duitse vazal aan het Gardameer. Daar, in Salò, zal het op sterven na dode fascisme terug de schoot opzoeken van waaruit het werd geboren: het socialisme. Het heeft zijn finale heengaan alleen maar versneld.
Antifascisme: de Waardige Opvolger van het Fascisme
De naoorlogse periode gaf aan het obsolete en gereanimeerde liberalisme en socialisme een tweede adem. Beiden (h)erkenden in het “antifascisme” hun geprefereerd levenselixir dat slechts met een flinke dosis schadelijke negativiteit diende genuttigd. De Koude Oorlog had bovendien de foutieve indruk gewekt dat het communisme tot staan was gebracht achter een “ijzeren gordijn.” Aldus kon gefocust worden op het fascisme. De schadelijke negativiteit bestond er vervolgens in alles waarvoor het fascisme ooit stond, blind af te wijzen en het tegenovergestelde even blind te omarmen. Nationalisme, het vat waaruit het fascisme en het nationaal socialisme welig hadden getapt, werd uiterst abject. Op die manier kon het communisme in zijn culturele vorm (Gramsci), dat via de voordeur nog was buiten geflikkerd, langs het kattenluik in de achterdeur weer naar binnen. Dat proces werd afgerond in mei ’68. Aanvankelijk wist de christendemocratie nog positief weerwerk te leveren middels een fris conservatisme, maar ook dat ging voor de bijl. Wat uiteindelijk omarmd werd, was de islam, niet omdat de marxisten van mei ‘68 die godsdienst, dat opium voor/van het volk, zo genegen was, maar omdat het te fascistisch leek om er niet mee in zee te gaan.
Conform de ijzeren wet van een bekend Nederlandse filosoof heeft elk nadeel daarenboven ook z’n voordeel: de liberaal zag in de cultuurvreemde Moor een goedkope werkkracht, de socialist wist er een nieuw electoraat mee aan te boren en de christendemocraat compenseerde er de uitdijende ontkerkelijking mee. De macht van de traditionele partijen leek voor eeuwig gebeiteld. Maar eeuwigheid bestaat slechts in de openheid tot God, uitdrukkelijk niet in de nabijheid van de ideologisch bekrompen mens. Vanaf de jaren ’90, zeker na de sleet op de zekerheden van de Koude Oorlog, werden de scherpe kanten van een ongebreidelde migratie voelbaar in de tere huid van de samenleving. En dan doorboren, op 11 september 2001, twee vliegtuigen de iconische Twin Towers in New York. Was getekend: de islamitische godsdienst van de vrede, trawant van het antifascisme. Dáár, in 2001 te New York, om 14.46 uur onze tijd, op een paar maanden voor de invoering van Euro, mijlpaal in de geschiedenis van de EU die de nationale soevereiniteit zal uitdagen, ligt dan de bocht richting totalitarisme van het naoorlogs beleden antifascisme, net zoals op 3 januari 1925, om 15.00 uur, in het Montecitorio te Rome de totalitaire kentering lag van het vooroorlogse fascisme.
Wat zou Croce denken?
Wat zou Benedetto Croce, de parel aan de kroon van het antifascisme, daarvan denken? Het is een “What if”-vraag, maar ze moet gesteld worden! Hij minimaliseerde de rol van de staat, dacht de vrijheid en verachtte de fascisten. Mag het dan warempel geen gril van de geschiedenis heten dat de moralistische immorelen van het antifascisme, de liberalen, socialisten en christendemocraten voorop, het staatsapparaat hardvochtig in stelling brengen tegen de vrije burgers en het uitgerekend de voor fascistisch versleten, maar tot patriotten vervelde nationalisten zijn die achter het volk gaan staan tégen een al te invasieve, antifascistische overheid? Is dan de cirkel, die men van in de Verlichting is beginnen tekenen, niet rond? Zit het tijdperk der “ismen” (liberalisme, socialisme, personalisme, fascisme, nazisme, ecologisme, anarchisme…) niet al een poos op zijn tandvlees? En wordt het gevolglijk geen hoogtijd vrije baan te geven aan een, gewis door het volk gewilde, paradigmashift? Ik herhaal: wat zou Croce daarvan denken? Van de meedogenloze staatsterreur in woordkeuze én gedachte? Van het immorele totaalverbod op het eigen denken? Van de aanhoudende ridiculisering van de cultuurvertrouwde religie en de afgoderij jegens cultuurvreemde exponenten? Van de van boven af gestuurde autocensuur in de “journalistieke” en academische wereld? Van de robotiserende ontmenselijking in het dagelijkse leven en de daaraan gekoppelde boetecultuur?
Wat zou hij denken van de verkrampte politisering, en dus problematisering, van eeuwenlange zekerheden, tot in de kleinste hoekjes van het menselijk bestaan? Als Croce zou kunnen terugkomen en onze antifascistische samenleving in werking zien, hij zou geen enkel verschil merken met de fascistische waar hij zó tegen gekant was. Zijn “Risposta” zou in zijn geheel en in al zijn onderdelen geldig blijven, woord voor woord en letter voor letter, maar hij zou zijn tekst vandaag niet eens nog in de regimepers gepubliceerd krijgen. Mooi voorbeeld van de inwisselbaarheid van fascisme en antifascisme kon geproefd worden op de Dante-avond van 4 december, toen een hoge pief van de organisatie zinnens was te scoren met de vraag of de Italiaanse regering Meloni niet al te openlijk fascistisch was door in de klassen op school terug kruisbeelden op te hangen en omwille van de culturele inzichtelijkheid opnieuw de studie van de Bijbel aan het curriculum toe te voegen (een standpunt dat trouwens ook de verstandige Umberto Eco om semiotische redenen meer dan genegen was)? De prof grijnsde een tikkeltje kribbig en zei: “Als er nu iets uitgesproken niet als fascistisch gebrandmerkt kan worden, dan is het dát wel!” Een zoveelste poging om Meloni als fasciste weg te zetten, gepareerd door kennis van zaken.
Vanaf “9/11” is het fascisme in vol ornaat en in volle glorie terug, maar nu onder het ordeteken van het antifascisme. Men denke op de eerste plaats aan de gedulde BLM-plunderingen, de gedoogde Antifa-razernij, het opdringerig woke-vocabularium, de bejubelde cultuurvernietiging van wintermarkten en patchwork-kerststallen, de lunatiek aangedikte relevantie van onwetende eco-snotneuzen, de vermeende morele hoogvlakte van laaggeschoold intellect, de politieke en syndicale uitsluiting van miljoenen andersdenkenden Europawijd, de complete verzwijging van vanzelfsprekende etnische specificaties in misdaaddossiers, het misbruik van pseudowetenschappelijkheid in tijden van Coronadictatuur, het onverholen wangebruik van het containerbegrip “racisme”, de geriefelijke culpabilisering van de waarheid, de geforceerde en van bovenuit gedicteerde maakbaarheid van de mens. Kortom: de statelijke organisatie en onverbloemde totalisering van de algehele existentie van alledag. Of zoals Giovanni Gentile het ooit schreef: “fascisme is de totale representatie van de fascistische natie en een totaalmodel voor nationale objectieven. Fascistischer wordt het antifascisme echt niet! Deze Orwelliaanse dystopie, fascisme of antifascisme gelijk, kan echter niet geïmplementeerd worden zonder geweld en in die draaikolk van gewelddadigheid worden we allengs verder neerwaarts gezogen.
Matteotti en Verdyck: Éen strijd
De “squadristi” van dienst zijn welbekend; voor het journaille heten ze steevast “jongeren” maar in wezen is het ’s werelds ingevoerde heffe, die het spontane en vertrouwde leven onmogelijk maakt. Er blijft de beestachtige, gelukkig niet dagelijkse, terreur in Parijs, in London, Madrid of Zaventem of op Bondi Beach in Sydney, waar enkele dagen geleden nog een slachting onder joden werd aangericht. Maar er zijn ook dagelijkse schermutselingen. In Milaan trekken op regelmatige basis daderbendes van Saraceens grondsop rond die, gewapend met de manganello (wapenstok), de ruiten van auto’s stukslaan, spiegels afrukken en de carrosserie in deuken meppen. In Parijs worden priesters in mekaar gehamerd en kerken in brand gestoken, worden leraren onthoofd en aan de lopende band vrouwen verkracht. In Duitsland worden door hetzelfde soort vrouwen en kinderen neergestoken op kerstmarkten die, veeleer dan te verwijzen naar Kerstmis: het feest van het licht (waar is toch de “Treuga Dei” uit de middeleeuwen?), het beeld oproepen van versterkte burchten in oorlogstijd. In Londen blijkt de machete tot de basisuitrusting van die smiechten te behoren. In ons land worden aanhoudend onschuldige kinderen na schooltijd in mekaar geramd door gore negerinnen die hun goesting niet direct krijgen. Elke dag weer is er het wel ergens prijs! Maar nooit mogen we te snel oordelen. Steeds vindt men wel een of andere over het paard getilde “experte” bereid om ons te komen behoeden voor overhaaste conclusies, zoals maandag nog de volgevreten Karin Heremans in De Afspraak, die niet genoeg had aan de beelden van de lethale schoten, afgevuurd op feestende joden door onverkwikkelijke moslimdroesem. Altijd weer moeten we het onderzoek afwachten, waarvan de besluiten nooit worden gepubliceerd omdat het de arrogante en pretentieuze broodheren van die duivelskinderen niet dient.
Absoluut dieptepunt werd bereikt op 28 september 2022. Toen werd goudhandelaar en “prepper” Yannick Verdyck bij nacht en ontij in zijn eigen huis met kogels doorzeefd. Geen uit de hand gelopen handgemeen van primitieve knokploegen, maar een onvervalste standrechtelijke executie. Niet door de antifascistische squadristi van onze jaren ’20, maar openlijk door zij die omwille van onze veiligheid het geweldmonopolie hebben geclaimd: het staatsgecontroleerd Franstalig zaksel in uniform. Op die dag werd het geweld niet meer gepleegd door zich straffeloos achter hoodies verschuilende primaten, maar door de staat zelf. Nooit mocht de familie Verdyck een “3 januari ‘25-moment” meemaken, dag waarop het ultieme kwaad in hoogsteigen persoon, Benito Mussolini, de verantwoordelijkheid voor de moord op Matteotti volledig op zich nam. Nooit zullen de daders, de Luikse bottinnekes, ter verantwoording worden geroepen, zoals ooit, al was het maar cosmetisch, in fascistisch Italië het geval was. Nooit zal een contemporaine Van Asten opdracht krijgen om een monument voor Yannick te beeldhouwen. De verwaande antifascistische staat, verzuipend in het eigen gelijk en verlekkerd op geweld, vervoegt zich met genoegen in de onaantastbare 3de persoon enkelvoud. Eén verschil tussen fascisme en antifascisme blijft nochtans overeind: het fascisme werd gedragen door intellectuelen, het antifascisme door dwazen. Jaren geleden reeds vroeg een bekend politicus mij in een zeldzaam openhartige bui of ik echt zo naïef was te denken dat elke zelfmoord in dit land werkelijk zelfmoord was en elk ongeval werkelijk een ongeval? Toen stond ik er beduusd bij, nu begrijp ik meer dan ooit wat hij mij wilde zeggen. De “Vlaamse Matteotti,” Yannick Verdyck, heeft het me door scha en schande doen beseffen.
**
Illustratie boven dit artikel: Giacomo Matteotti in het midden
**
Beelden




