Vlaanderen lijkt nu eindelijk de laatste restanten van het geforceerde covid-juk te hebben afgeschud. Van Ranst en zijn gechargeerde bende raken geen spaander hout meer en werkelijk overal worden er ter lering en vermaak weer interessante activiteiten aangeboden die het verdienen om eens in de kijker gezet te worden. Zo vond er in de categorie leerzame evenementen, op zaterdag 29 november laatst, een congres plaats met als titel “Over Heirbaan en Spoorlijn. 2000 jaar Vervoer in de Kempen.” Organisator was het voormalige “Centrum voor de Studie van Land en Volk van de Kempen vzw,” maar omdat deze naam toch wel iets te zwaar op de maag bleef liggen, werd enkele jaren geleden besloten deze in te korten tot “Kempens Geheugen,” met als ondertitel – u gelooft het nooit: “Centrum voor de Studie van Land en Volk van de Kempen vzw.” Plaats van het gebeuren? Het Nederlandse Reusel, net over de grens, omdat het Kempenland zich natuurlijk niet laat beknotten tot slechts het Vlaamse deel van de landstreek.
Het Kempens Geheugen en de plaatselijke “Heemkunde Werkgroep Reusel” – die om een evidente reden het congres mee organiseerde: voor hen was het immers een thuismatch – vonden ruim zestig geïnteresseerden bereid om een hele zaterdag te luisteren naar een afwisselend programma dat helemaal rond het thema “vervoer” draaide. Spoorwegen, Romeinse wegen, waterwegen en zelfs karren en wagens. U kunt het niet eens bedenken, of het passeerde de revue. Het was trouwens al de 58ste keer (de eerste keer in 1966) dat Kempens Geheugen een jaarlijks congres organiseerde, elk jaar over een ander thema, maar steeds verbonden met de grensoverschrijdende Kempen. Dat heeft ondertussen al een rijkdom aan informatie opgeleverd die tot nu jaarlijks in een verzorgde publicatie wordt gegoten (vele nog steeds te verkrijgen, zie op www.kempensgeheugen.eu). ’s Middags werd voorzien in een broodjesmaaltijd (extra-large: broodjes worden onder kempische handen meteen hele broden!) en een kop lekkere koffie. ’s Avonds werd afgesloten met een “jetonnen-receptie,” in omvang begrensd voor de snelle huisvaarder, lucullisch echter voor de plakker die naar het einde toe op koffers boordevol jetonnen stootte als betrof het de piratenschat van Isla de Muerta!
De eerste twee presentaties hadden een hoog “heemkundekring”-gehalte. Eugène De Groot had het over de betekenis en de rol van karren en wagens. Karren rollen op twee (of drie) wielen, wagens op vier. De Kempen behoort, omwille van de zandgrond, tot het typische karrengebied dat zich uitstrekt van het oude hertogdom Brabant en beide Limburgen tot aan de Rijn. Daarboven begint het wagengebied. Ook de plaats van de wagen- en karrenmakers in de toenmalige samenleving (van de middeleeuwen tot aan de verdringing van het ambacht door de “rubberen band”) kwam ter sprake. Een snipverkouden Jos Mandos belichtte de Boxteler Bahn of het “Duits Lijntje,” een niet onbelangrijke spoorlijn tussen Nederland en Duitsland… van in de tijd dat spoorwegen nog dienst deden als dé vervoermodus bij uitstek voor verder gelegen bestemmingen (kijk naar de toenmalige fijnmazige “besporing” van het landschap!) en niet als benoemingsgraal voor gebuisde politici die er maar niet in slagen de treinen op tijd te laten komen (historische pun intended). Tevens werd er uitgezoomd van het Duits Lijntje naar twee evenwijdig daarmee gelegen andere spoorwegen, waaronder uiteraard de IJzeren Rijn.
Maar Nederlanders blijven toch ook vooral Nederlanders. Eens de IJzeren Rijn in zicht kwam, ging het tracé toch wel door een waardevol natuurgebied, zeker! Alsof Nederland maar één waardevol natuurgebied heeft, net daar waar de Belgen al een hele tijd dromen van een verbinding met hun hinterland: het Duitse Ruhrgebied. Het voormiddagprogramma werd afgesloten met een presentatie, eerder een onderhoudende conference, van Jan Van Eijck – niet de schilder maar de dokter – over het “Bels Lijntje” (traject Turnhout-Tilburg), een grensoverschrijdend maar voor het overige zuiver Belgisch spoorweginitiatief. In profiel had Van Eijck iets van Hugo Claus, maar keek je hem recht in de ogen dan zag je Youp van ’t Hek. Van Eijck was trouwens even rat van tong! De man kende van elke oude dwarsligger het serienummer en van alle spoorwegarbeiders de familie tot in de 8ste graad. Hij denderde, sneller dan de trein ooit tevoren, door de geschiedenis van de spoorweg en diste de ene vermakelijke anekdote na de andere op. Vier stationnetjes en 28 wachtposten waren het canvas waarop Van Eijk een amusante microgeschiedenis penseelde van een spoorlijntje dat nu niet meer bestaat en een tijd geleden alweer fietspad werd: opnieuw, ditmaal grensoverschrijdend, erfgoed dat opgeslokt werd door de Keizer van het Oud IJzer!
Na de maaltijd werd ons een Romeinse beker voorgeschoteld. Archeoloog Dries Tys trok op basis van nieuw onderzoek een stel mogelijke tracés van Romeinse wegen door het oude “Campina” van weleer. Campina, verder geknoopt aan “Campus” (vlakte), is de Latijnse naam voor de Kempen en betekent zoiets als “open vlakte,” heel toepasselijk voor het zanderige en heiderijke gebied. Vanuit een correctere continuïteitsgedachte tussen het Romeins Imperium en de middeleeuwen (het Rijk stopt niet bruusk in 476, en de middeleeuwen beginnen niet even plots nadien) leerden we dat vele veronderstelde Romeinse heirbanen zuiver middeleeuwse wegen zijn waarop geen gregarius miles (gewone soldaat) noch Caesar een voet zette. Het rijk strekte zich echter uit tot Nijmegen (Ulpia Noviomagus Batavorum) terwijl de wegen, tot nu gekend, stoppen na Grobbendonk: een vacuüm dat smeekt om gevuld te worden. Tys schetste het mogelijk tracé van twee wegen die boven Grobbendonk en vanuit Antwerpen verder liepen naar Hilvarenbeek (Nederland) en zo verder naar het Noorden. Geholpen door de nieuwste archeologische technieken werd de projectie aannemelijk gemaakt.
Wouter Loeff ondernam daarop een reis doorheen de tijd van Bosch en Brueghel, maar slaagde er niet in ons te overtuigen. In één grote warm en koudblazerij, met zelfs een quizje ertussen, kwam hij niet verder dan de in een presentatie verpakte reclame voor “Viabundus,” de webstek van erfgoed Brabant, die meer om het lijf heeft dan Loeff liet uitschijnen. Spijtig. Het laatste woord van de namiddag was voor Ton Burgers. Hij had het op smakelijke wijze over de aanleg van de diverse waterwegen in de Kempen. Burgers schertste, als burgerlijk en waterbouwkundig ingenieur, met grote trekken de geschiedenis van de Napoléontische ontwikkeling (Grand Canal du Nord) over het Kempisch kanaal tot aan de aanleg van het Albertkanaal en de stop van Ternaaien, de grootste binnenvaartsluis ter wereld. Beginnen deed hij echter bij de fameuze Tachtigjarige Oorlog: een gedurfde onderneming. Dat het proppen van de geschiedenis van schier het laatste half-millennium in hooguit een half uurtjes historische snelkoppelingen behoefde, stond in de sterren geschreven, tot hilariteit van de aanwezige historici die zochten naar historische mankementjes en die ook vonden, terwijl Burgers, evenzeer toch wijzend op de moeilijkheden bij het aanleggen van een kanaal (bv. waterbevoorrading), alleen maar aantoonde dat geschiedenis al lang geen zaak meer is van historici alleen, maar vaak nood heeft aan andere wetenschappen om dieper inzicht te krijgen in wat werkelijk geschiedde.
De interessante dag werd, zoals reeds vermeld, neergelegd met een aanvankelijk bescheiden, naar het einde toe kwistigere receptie. Het 58ste congres van Kempens Geheugen mag als geslaagd geboekstaafd staan. De Kempenzonen en -dochters konden kennis maken met een frugaal verleden dat ambachtelijkheid met onopgesmukte, realistische en pretentieloze voortvarendheid verenigt. Dat de Vlaams-Belgische afpalingen uit die splijtende 19de eeuw grensoverschrijdend opgerekt werden, gaf ook nu weer een ruimere blik op de onderscheiden problematieken van de zanderige landstreek.
**
Illustratie: de ‘stop’ van Ternaaien, de grootste binnenvaartsluis ter wereld
**