Een paar maanden geleden trok een splinternieuw boek over UFO’s, oftewel “Unidentified Flying Objects” – het zoveelste? – onverwacht de aandacht. “Ach wat” zo was aanvankelijk onze reactie, “UFO’s, da’s toch zó jaren ’80!” Nochtans! Het boek droeg de titel: “UFO, Niet te Geloven.” Toegegeven, het prikkelde meteen onze interesse. Het was echter pas na lezing van de ondertitel dat we volledig overstag gingen: “Wat we denken te zien en wat we echt zien.” Het boek werd uitgegeven bij Borgerhoff & Lamberigts, telt dik 300 bladzijden en is rijkelijk voorzien van beeldmateriaal. In drie kapitale delen wordt het “probleem UFO” op wel heel aantrekkelijke wijze “voorgeschoteld.” Eerst wordt een korte historie van de waarnemingen en het UFO-onderzoek geschetst (populaire- en stripcultuur inclusief). Vervolgens komt het proces aan bod dat zich voltrekt tussen de waarneming en de doorgaans toch finale verklaring van het fenomeen en het boek eindigt met een hele reeks meldingen, voornamelijk in de Lage Landen, netjes vergezeld van een logisch-wetenschappelijke opheldering. Maar ook de vooralsnog onverklaarbare meldingen, hoewel van een te verwaarlozen aantal, worden niet uit de weg gegaan. Samen met een klein fotoalbum van eerder zonderlinge gevallen (evenzeer met verhelderende duiding) en een nawoord worden ze bij wijze van uitsmijter aan de lezer gepresenteerd.
Het werk werd geschreven door Wim van Utrecht (°1959, Turnhout), wereldvermaard en geprezen UFO-skepticus en in 2007 oprichter van het UFO-meldpunt België (https://ufomeldpunt.be/ufo-melden). Voor de foto’s in het boek putte van Utrecht royaal uit zijn archief dat hij decennialang samenstelde. Samen met de jongere medeoprichter van het meldpunt, Frederick Delaere (°1981, Izegem), schreef hij een natuurwetenschappelijke, desalniettemin vulgariserende (dus voor eenieder begrijpelijke) bundel over UFO’s. Verwacht derhalve geen ellenlange beschouwingen over “groene wezentjes” uit de eerder afgelegen kwadranten van het universum. Die komen voorlopig alleen in de politiek voor en nodigen niet meteen uit tot nadere kennismaking. Beide auteurs benaderen de zaak wetenschappelijk en aanvaarden enkel logische verklaringen, zoals het skeptici ten andere betaamd. Die buitenaardse opsmuk van de “vliegende schotel” werd overigens in 1947 geïnitieerd door George Adamski, de Pools-Amerikaanse charismatische kwakzalver die beweerde meermaals in contact te zijn getreden met buitenaardse schoteltoeristen. De hardnekkige link tussen ernstig UFO-onderzoek en sciencefiction danken we dus aan Adamski. Hem bracht het sloten geld op; het wetenschappelijk onderzoek slechts windeieren en, in de ogen van andere wetenschappers, een manco aan serieux. De auteurs gaan er, tot bewijs van het tegendeel, simpelweg vanuit dat de buitenaardse connectie onbestaand is, wat hen niettemin tot dusver en uiteraard geheel ongewild tot de wetenschappelijke bekrachtigers maakt van het Kerkelijke standpunt dat evenzeer de uniciteit van het mens in het grote universum blijft belijden.
Geloof en Rede
Geloof en rede liggen, aldus geïnterpreteerd, toch een stuk dichter bij elkaar dan gemeenzaam wordt aangenomen (pun intended). Overigens, omtrent het ontstaan van het leven op aarde schreef L. J. Henderson (1878-1942), Amerikaans biochemicus, in 1913 reeds een interessant boek onder de titel: “The Fitness of the Environment.” Daarin somt hij de cumulatief te vervullen condities op die het aards leven faciliteren. Het blijft een stekelige doorn in het oog van de wetenschapper die graag van het “unieke aarde-paradigma” wil verlost worden. Talrijk, zo betoogt Henderson, zijn de verschijnselen die een bijzondere betekenis hebben voor het leven op aarde: de afstand aarde-zon (licht en warmte), de afstand aarde-maan (getijden, waterverversing), de grootte van de aardbol (zwaartekracht), de wentelingen van de aarde (spreiding van licht), de schuine aardas (jaargetijden), de verhouding land-zee (temperatuur), het cyclische proces van regen, wolken, de rivieren of meren (temperatuur), de kenmerken van water (kookpunt, verdampingswarmte), samenstelling en densiteit van atmosfeer en magnetosfeer (bescherming), de oplosbaarheid van zouten, de zuurtegraad, de affiniteit tussen zuurstof en koolstof, enz. De lijst lijkt oneindig! De kans op leven elders, statistisch gezien, uitermate gering.
De verwijding van de kloof tussen het geloof (of althans de kennis ervan) en de reducerende rede heeft de “ufologie” bovendien niet zelden pijnlijk parten gespeeld. Een van de eerste voorbeelden uit het boek van een foutieve UFO-attributie betreft het schilderij van Aert de Gelder, Rembrandts laatste leerling, getiteld “Het Doopsel van Christus” (1710). Boven het tafereel zweeft een duif, getooid met een omvangrijke nimbus (schijf), van waaruit vier stralen de plechtigheid verlichten. Ufologen meenden hierin een UFO te herkennen. De duif evenwel staat in de christelijke iconografie symbool voor de Heilige Geest. Het komt klaarblijkelijk vaker voor dat religieuze symboliek niet meer door al te eenkennige natuurwetenschappers wordt beheerst, met alle beschamende gevolgen van dien. Hoewel de interesse voor allerlei “luchtverschijnselen” van alle tijden is – denk aan de Romeinse auguren – neemt de ufologie toch duidelijk eerst een vlucht vooruit in de tijd van de industriële revolutie en de techniek, en daarmee ook de verheerlijking ervan. De mens steeg van het paard af en zette zich in een auto, in een vliegtuig, in een raket naar de maan. Kaarsen werden gedoofd en het vuur bedwongen en verborgen, maar onze steden blaken als nooit tevoren in kunstlicht, van gloeilampen tot led, de hele nacht lang. In het centrum van de stad, later aan de rand ervan, verrijzen fabrieken, niet zelden in continudienst, 24 op 7, het hele jaar door.
De UFO Verklaard.
In dat gloednieuw industrieel klank- en landschap werd “the sky” slechts voorlopige “limit” en volstond een slokje Jules Verne om metterdaad niet de wereld, maar meteen het hele universum te verkennen. De verhoopte reciprociteit (buitenaards leven) doet dan de rest. Maar ook op de aardbol zelf hebben de diverse stadia van een doorgedreven industrialisatie de natuurlijke fenomenen en cycli dermate uitgedaagd dat de mogelijkheden en gelegenheden tot al dan niet oprechte en integere UFO-waarnemingen in aantal zijn geëxplodeerd. De auteurs spreken van UFO-prikkels: objecten of verschijnselen die regelmatig aanleiding geven tot meldingen. Van alle vermelde prikkels krijgt de lezer van het boek overtuigende voorbeelden mét bijhorend beeldmateriaal. Als voorbeelden kunnen gelden: vliegtuigen, condenssporen, rookkringen, ballonnen, vliegers, satellieten, het ISS, planeten, sterren en meteoren, optische hemelverschijnselen (weerkaatsingen), lichtspots en lazers, vogels en zelfs insecten… of last but not least, problemen met de fotocamera. Van deze laatste prikkel staat een mooi voorbeeld in het boek. Men ziet een landschapsfoto (begin jaren ’40) van een stad aan het water met daarboven, in de luchtpartij, vier grote zwarte bollen. UFO’s? Het bleken kleine gaatjes in het negatief te zijn waarin ontwikkelvloeistof was geslopen. De horizontale droging van de foto zorgde voor angstaanjagende neerwaartse landingsstrepen.
En dan hebben we het nog niet gehad over de waarnemer zelf en zijn toch niet steeds betrouwbare herinnering. Fenomenen als de bewegingsparallax (objecten dichtbij de waarnemer-in-beweging verdwijnen sneller dan verafgelegen objecten) of het autokinetisch effect (feitelijk stilstaande, maar schijnbaar bewegende lichtpuntjes tegen een donkere en referentiearme achtergrond) hebben reeds menige UFO-waarneming verklaard. Dat geschiedt uiteraard niet altijd, in welk geval voor ogen dient gehouden te worden dat onverklaard niet zomaar synoniem is van onverklaarbaar. Dat de waarnemer zelf integrerend deel uitmaakt van de waarneming blijkt nog uit een geheel andere eigenaardigheid in de wondere wereld van de ufologie. Merkwaardig is het toch dat hoe dichter de waarneming zich naar de tegenwoordige tijd voordoet, des te technologischer de UFO in de waarneming wordt. In de jaren ’40 van vorige eeuw werden UFO’s waargenomen die dichter bij de toenmalige stand van de techniek stonden; thans zijn de waarnemingen meer conform de huidige stand van de technologie. Dat zou er op kunnen wijzen dat de groene mannetjes ons onafgebroken bespioneren! Veeleer echter wijst het toch op een gebrek aan fantasie bij de doorsnee UFO-waarnemer.
Drones
Eén UFO-prikkel werd, hoewel ook in het boek vermeld, bewust nog niet aangeraakt: de drone. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de actualiteit. Daarover dan de volgende denkoefening die niet uit het boek komt, maar geheel tot de hersenspinsels van schrijver dezes behoort. Beginnen we toch met enkele vaststellingen uit het boek. Ten eerste: “België wordt wereldwijd beschouwd als een voortreffelijk UFO-land, met een reusachtig archief en een recordaantal mensen per km2 die UFO’s rapporteren.” Anders gezegd: de Belg casu quo de Vlaming ziet ze vliegen! Ten tweede: het aantal UFO-rapporteringen is verre van constant. Zij kennen ups en downs. Hoogtepunt der waarnemingen (en meteen van de Belgische UFO-vereniging SOBEPS, i.e. Société Belge d’Etude des Phenomènes Spatiaux) situeert zich tussen 1989 en 199l, “wanneer een grote UFO-golf het land overspoelt.” De Belgische UFO-golf laat zelfs de politiek niet onberoerd, wat resulteert in drie parlementaire vragen. Ten derde: auteur Wim van Utrecht stelt dit jaar weer een verhoging van de meldingen vast: de teller staat in 2025 al op 217; voor gans 2024 sloot men af op 161, een significante verhoging! Wat daar nu allemaal van te denken? Zeker toch dat de Belg ontvankelijk is voor al dan niet verklaarbare verschijnselen “buiten” de fysica. Is hier sprake van een patroon? Ik meen van wel. Volgt U even deze redenering.
Data, het is bekend, doen er toe. De Belgische UFO-golf dateert van 1989-1991, een periode die grosso modo geprangd zit tussen de val van de Berlijnse muur en de niet overal bejubelde hereniging van Duitsland. Het was een kantelmoment in de geschiedenis en die presenteren zich steeds als een uiterst complexe cocktail van teleurstelling en optimisme. Zowel teleurstelling als optimisme dienen zich in hoogst onzekere tijden, waarin de oude vertrouwde wereld (koude oorlog) onherroepelijk wegkwijnt, maar de aangekondigde nieuwe wereld (globalisatie) zich nog moet bewijzen, vaak radicaal aan. Dan blijven er voor de mens slechts twee opties: óf men kan de oude wereld radicaal omarmen (conservatieve reactie), óf zich, op dezelfde wijze, in de nieuwe storten (progressieve reactie). In 1989-1991 geschiedde het laatste. Toen behoorden de loden jaren ’70 van het terrorisme, de slachtingen van de Bende van Nijvel en de CCC en de opeenvolgende, schijnbaar niet weg te werken begrotingstekorten tot de orde van de dag. En dus werd het Belgische oog ontvankelijk voor de UFO: zinnebeeld van de toekomst, voorbode van een weliswaar opgerekte, zeg maar hemelruime globalisatie die beterschap belooft (progressieve reactie).
Of, van de weeromstuit, 2025 ook een keerpunt wordt, valt nu nog niet te zeggen, al zijn er genoeg tekenen om dat nu reeds aannemelijk te maken. Feit blijft dat de verkiezing van Trump een en ander in gang heeft gezet of al lang sluimerende onvrede heeft gesanctioneerd. De aperte verrechtsing van politiek Europa volgt de Amerikaanse trend. De derivaten van het technologisch globalisme hebben de verwachtingen geenszins kunnen inlossen: AI verteert het brein, offshoring een goed deel van de werkgelegenheid, massamigratie de cultuur en de klimaat- en wokewaanzin onze zuurverdiende spaarcenten. Men voelt al deze bedreigingen aan de lijve en dus “ziet” men ze ook, “wil” men ze minstens zien: in de vorm van een drone (conservatieve reactie)! Net als de UFO-golf in 1989-1991 doet de dronefobie zich klaarblijkelijk forser voor in België dan elders in Europa. Dan toch enkel omdat de aberratie, genaamd België, van alle Europese landen, forser moet inboeten op z’n al sterk weggemoffelde identiteit door ze willens nillens te laten capituleren voor alle andere, uitheemse identiteiten. De vraag borrelt als vanzelf op of er in het verleden nog een historisch kantelmoment te vinden is dat, zeg maar als negenproef, deze redenering kan stutten? En jawel, die is er zeker!
We schrijven 1933, moment waarop het “geloofsgedogend” Italiaans fascisme ingehaald wordt door het geloofsverachtend nationaal socialisme. Kantelmoment van eerste orde! Het Italiaans fascisme, historisch gezien altijd al pakken interessanter dan het Duits nationaal socialisme, zat nog vast aan de aloude rijksgedachte die, in de lijn van Karel de Grote, de Ottoonse keizers (zeker de derde) of Karel V voordien, teruggreep naar het Romeinse Rijk. Het moest echter in 1933 de duimen leggen voor een nationaal socialisme dat met het Thule-genootschap van Rudolf von Sebottendorf, later met Thule-geïnspireerden zoals Rudolf Hess, Heinrich Himmler of Alfred Rosenberg, verder wilde bouwen op de geheime Germanenorden en de ariosofie van Guido von List, en aldus in staat was zich voor het eerst in de Westerse geschiedenis geheel af te keren van de Mediterrane oudheid, ten voordele van een occult Noord-Germaans ariërdom (heidendom). En wat “zag” de Belg die in die tijd vlijtig op zoek was naar een identiteit (die hij overigens nooit zal vinden)? Wat zag hij bovendien weer beduidend méér dan elders in Europa? Hij zag Maria, moeder Gods, verschijnen. In diezelfde jaren ’30, die nog een behoorlijk stuk godsdienstiger waren dan de onze, zag hij (of wilde hij tenminste zien) dát wat hij veronderstelde te zullen verliezen in het nieuwe, zich aankondigende (van de tweede wereldoorlog was nog geen sprake) nationaal socialistische tijdperk (conservatieve reactie). Wie zoekt naar een zuiver historisch verslag van die explosie aan Mariaverschijningen, hij leze Tine Van Osselaer, “Apparition Fever, Observing the Virgin Mary in Belgium.” (In het Engels uiteraard: zei ik al dat de Vlaming zijn identiteit nooit heeft teruggevonden?)
En zo kent elk historisch kantelmoment zijn particuliere metafysische verschijning aan het zwerk. De drie Koningen zagen de ster van Bethlehem. Was het een komeet? Op de vooravond van de slag met usurpator Maxentius zag keizer Constantijn aan de Milvische brug het Labarum-teken (de Chi Ro, “In hoc signo vices”). Waren het laaghangende wolkenslierten? De naar identiteit zoekende Belg/Vlaming zag in 1933 talloze Mariaverschijningen, waarvan een grote meerderheid niet door Kerk van Rome werd aanvaard. Zo zag ook de technologische globalist, op de drempel van de jaren ’90, spitstechnologische UFO’s (zelfs nu lopen er nog teveel van die types rond, vandaar weer een stijging van UFO-meldingen) en ziet hij die zijn brein, zijn cultuur en zijn spaarpot bedreigd weet vervaarlijke drones, waarvan de Russische makelij trouwens nog steeds niet werd aangetoond, laat staan bewezen. Dat zou toch ook uitermate vreemd zijn! Primo, omdat boven ons hoofd duizenden satellieten zweven die met hun hoogsensitieve lenzen tot op de nummerplaat nauwkeurig kunnen inzoomen. Wat brengt een drone dan nog aan inlichtingen bij? Secundo omdat premier De Wever, zeer terecht overigens, de Russische Euroclear-tegoeden vooralsnog niet wil vrijgeven. Wat heeft Poetin er dan aan om net die dreiging tastbaar te maken die zo’n vrijgave alleen maar zou kunnen bespoedigen?
“Wat we Denken te Zien en Wat we Echt Zien.”
De grote, al niet grootste, verdienste van het boek “UFO, Niet te Geloven; Wat we Denken te Zien en Wat we Echt Zien” zit ‘m onmiskenbaar in het feit dat de waarnemer zelf in zijn waarneming verdisconteerd zit, wat al bij al, ondanks het positief wetenschappelijk paradigma waarin het boek tot stand kwam, gewis cruciale en niet te ontkennen filosofische gevolgen met zich brengt. Het zien van de waarnemer is immers geen gereinigd zien meer (of anders: geen zuiver wetenschappelijk zien), maar wordt een door de waarnemer zelf bevlekt zien, waardoor de filosofisch opvatting van de ziener behoorlijk diep in het zuiver wetenschappelijk paradigma, ja in de sinds René Descartes inert geworden werkelijkheid weet te infiltreren. Het kan in ieder geval helpen de actuele drone-fobie op z’n werkelijke merites te toetsen. Van Utrecht slaagde er reeds in één lont in het drone-kruitvat te doven: de “drone” boven Sint-Truiden bleek een alledaags Fins lijnvliegtuig te zijn. Wellicht doet de Belgische luchtmacht er goed aan – nu zij zelfs de drone-unit van de politie niet schijnt te kennen – veel meer beroep te doen om het UFO-meldpunt van Van Utrecht en de zijnen, waar reeds jarenlang het luchtruim met meer kennis van zake onderzocht wordt. Het zou, heel ver weg in Rusland, Poetin waarschijnlijk een vuistlachje of drie kunnen schelen, maar hier tenminste de angstpsychose kunnen bekoelen.