Op 11 september jl. – we weten het: het is alweer een paar weken geleden – werd in de Aula Rector Dhanis (Gebouw K) van de Universiteit Antwerpen de proclamatie gehouden van de nieuwbakken masters in de rechten, in het fiscaal recht en de “manama’s” (master na master) eveneens in het fiscaal recht. 172 afgestudeerden, in de drie richtingen samen, hoorden er hun naam door de aula schallen, gevolgd door de door hen behaalde graad (voldoening, onderscheiding, al dan niet zelfs grote of grootste.) Wat voor deze jonge lui echter een unieke dag in het leven van elke academisch gevormde had moeten worden, werd een amateuristische jaarmarkt van beloken links. Wat ooit een vooraanstaand jezuïetenhol was (met proffen als Jacques Claes, Louis Van Bladel of Jean Van Houtte), verwerd gaandeweg tot bruggenhoofd van vooringenomen progressiviteit. Gastvedette was niemand minder dan minister van (on)Justitie Annelies Verlinden, die ooit ook als kandidaat (nu bachelor) afstudeerde aan de oude UFSIA, de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (in 1998; Annelies wordt voorwaar een dagje ouder!), maar nu UA, Universiteit Antwerpen, heet.
Het festival van de slechte smaak opende met de intocht van de studenten. De meisjes eerst, alsof de universitaire faculteiten zich metamorfoseerden tot “facul-tieten!” Maar allengs druppelden ook de heren binnen. Allen uiteraard getooid met een “academic cap” (een doctoraalhoedje met kwast), dat gekscherend “mortarboard” (lett. mortelbord) wordt genoemd, kerkelijk van oorsprong (zou ook maar één drager dat weten?) maar in universitaire middens overgewaaid uit de Angelsaksische landen. Dat het dus om een ingevoerde traditie handelt, was te merken aan de wijze waarop dat ding de hoofden sierde: alsof het gerstenat al rijkelijk gevloeid had. Maar wat wil je als onze performante jeugd van kindsbeen af te horen krijgt dat de zoektocht naar de inhoudelijke “essentie” prevaleert op de vormelijke omkadering. Gevolg daarvan is natuurlijk dat zowel de inhoud als de vorm verdween. De professoren van hun kant droegen voor de gelegenheid een toga, integraal zwart met rode bies en bovenaan afgesloten met wat op een mislukte en te hoge officierskraag geleek. Ook al geen voltreffer. Daar blijven de traditionele Britten toch met stip en ontegensprekelijk koploper; waarschijnlijk weer een toepassing van het Vlaamse adagium: “Doe maar gewoon, dan ben je al gek genoeg.”
Het zaakje werd opgeluisterd door een muzikaal duo: een zangeres (vraag me de naam niet meer) die tussenin wat moderne wijsjes kweelde terwijl ze haar ranke lichaam onverdroten in spastische aswentelingen sleepte en pijnlijke grimassen trok om glashelder te laten blijken hoe moeilijk het voor haar was de juiste toonhoogte te raken. Ze werd begeleid door een pianist die zelfs aan een beperkt arsenaal akkoorden genoeg had om zijn gebrek aan muzikale finesse ten gehore te brengen. Beiden zijn overigens in hun opzet meer dan geslaagd. Nergens klonk een streepje klassieke muziek; nergens evenmin een spoor van verklankte elegantie of raffinement! Zelfs in academische middens wordt niet eens nog de moeite gedaan om de spreekwoordelijke leefwereld van de student uit te dagen of te verrijken.
En dan waren er de toespraken. Centraal thema leek wel de rechtstaat. Daar had schier iedereen het over: de decaan van de rechtenfaculteit, de “afroepster” van namen en graden, alsook de rector, bioloog Herwig Leirs, opvolger van Herman Van Goethem en uit hetzelfde hout gesneden. Zijn specialisatie in de evolutionaire ecologie vormde voor de academicus van zuiveren bloede in ieder geval geen impediment om voor een tot de nok gevulde aula zijn hoogst persoonlijke invulling van het juridische begrip “rechtstaat” ten toon te spreiden. De zopas afgestudeerden moesten er de hoeders van worden, wat in zijn optiek beduidde dat zij blindelings en kritiekloos de rechterlijke uitspraken moesten volgen. Geen jurist in de zaal die hem terecht wees. Dat slaafs juridische werd nog eens herhaald door de gewezen studentenvertegenwoordiger die zijn genialiteit bewezen achtte omdat hij nu studeert aan King’s College (Londen), zonder uiteraard al een diploma te kunnen voorleggen. “Er zijn presidenten die zowaar gerechtelijke beslissingen naast zich neerleggen,” wauwelde hij iets te zeker van zichzelf. Een niet mis te verstane referentie naar Trump die – hoe kon het anders? – kop van jut was. Nee, weer kop van jut behoorde te zijn!
En dan moest de “keynote speaker” het spreekgestoelte nog veroveren: Annelies Verlinden. Tijdens haar rede sprongen me aldoor de woorden van flink wat pastoors voor de geest die als geen ander de gouden regel handhaven: “een goede preek duurt nooit langer dan 7 minuten.” Verlinden preekte meteen voor heel het eerste trimester, vakanties inclusief! Haar ellenlange betoog was opgebouwd rond slechts één metafoor, van de bard der barden nog wel, William Shakespeare: “Why, then the world’s mine oyster, which I with sword will open.” (De wereld is mijn oester, die ik met het zwaard zal openen). En nee, lieve kijkbuiskinderen, het werd de toehoorders zelfs niet vergund te weten dat het citaat afkomstig was uit “The Merry Wives of Windsor.” Om dat te weten moet je minstens minister van Justitie zijn! De metafoor werd vervolgens minutenlang nauwgezet bekeken, rondgedraaid, geproefd, belikt, opgegeten, terug uitgebraakt, herkauwd, opgerispt en uiteindelijk definitief ingeslikt. Een dringende vacature voor een nieuwe speechschrijver zou de minister stellig ten voordele kunnen strekken!
Ook zij dramde oeverloos door over de rechtstaat. Na een juridische diepte-massage van Annelies zaten echter alle spieren van de rechtstaat op een wel heel ongebruikelijke plek in het rechtslichaam. Van voorwaarde voor de democratie was het immers doel op zich geworden. Het begrip rechtstaat, dat in wezen duidt op een onderworpenheid aan de wet (recht), werd genderfluïde verbouwd tot absolute onderdanigheid aan de rechter. Rechtstaat werd “rechterstaat:” d.i. de absolute berusting in de rechterlijke uitspraak. De toetsing aan de trias politica werd schijnbaar chirurgisch verwijderd en de rechtsleer, die via noten belangrijke uitspraken van commentaar heeft te voorzien, definitief gecastreerd. De activistische rechter werd in het juridische universum van de minister verlengstuk van een uitvoerende macht die het lef derft om beleid te voeren en daarom liever behaaglijk schuilt onder de zwarte rokken van rood togatuig dat de politiek ideologisch wetsinterpretatie welgevallig laat primeren op de juridisch wettelijke. Van “la bouche de la loi” (Montesquieu) naar “le poing de la loi.” Il faut le faire, om bij de taal van Molière te blijven. De onvermijdelijke vaststelling dat een politieke rechterlijke macht zelf de poten vanonder de democratie zaagt, was een oogverblindende gedachteparel, die echter ongerept verscholen bleef zitten in de hermetisch gesloten oester van de bewindsvrouw.
Verlinden maakte zich nadien snel uit de voeten. Andere verplichtingen, u kent die smoes. Ministers hebben het immers druk. Haar goudblinkende broek en schreeuwerige fuchsia pull vermochten het evenwel niet d’r truttige imago te temperen en de met een seuterige intonatie afgelezen speech was ook al snel vergeten. Na het uitreiken van een koppel gesponsorde prijzen en nog wat studentikoos mouwvegen bij een handvol proffen was het eindelijk tijd voor de receptie. Viel, tot spijt van de moslim-communistische groenen, het woord “Gaza” tot hiertoe niet of nauwelijks (men had het veelal over “een brandende wereld”), dan werd dit euvel stilzwijgend maar ruimschoots rechtgezet tijdens de drink achteraf. Zuur bier en keel krauwende cava werden namelijk rondgedragen door multiculturele theedoeken die alweer hun stinkende best deden geen spaander te weten van de geserveerde alcoholische dranken. Past niet in hun opdringerige en opgedrongen godsdienst; hier geen knieval voor inheemse gebruiken, zoals gangbaar voor kwesties die hen aanbelangen. En ook de schaarse hapjes geraakten niet eens door de rijen het dichtst bij de keuken. Dikke pech voor de genodigden die wat verder weg stonden. Kortom, een receptie waar sprietige knusheidsverdelger Vandenbroucke week van zou worden. Van het eertijdse jezuïtische “in-de-wereld-staan” evenwel geen spoor meer te bekennen, daar aan de UA. Tot grote spijt van de kersverse alumni!