In de katholieke Kerk gonst het al een tijdje van de geruchten! Er zou brandende liefde in de lucht hangen. Niet die van God deze keer, maar de vleselijke tussen mensen. Als het altaarschelletje zou weerklinken telkens iemand de geruchten kracht bijzet, zouden we schier dag en nacht geattendeerd worden op nakende (of is het naakte?) elevaties. Wat echter verheft wordt, blijft verre van duidelijk; de geconsacreerde hostie is het zeker niet! Dat staat intussen vast. Gelukkig voor betrokkenen kan de Tridentijnse Mis hen niet meer al te zeer bekoren, want in die H. Mis laat men het schelletje ook rinkelen bij het “Domine, non sum dignus” (Heer, ik ben niet waardig): een staalharde confrontatie die, zo goed en zo kwaad het kan, toch dient vermeden. Desalniettemin schijnt het dus waar te zijn dat bij twee herders van Onze Moeder de Heilige Kerk, die bovendien aan het godsvolk het geloof moeten verkondigen, de dorst naar abstracte maar richtinggevende theologie plaats heeft moeten ruimen voor de hunker naar concrete maar ooit toch op goede gronden verboden lijfelijke sensaties.
De eerste heet Bruno Aerts en was sinds juli 2012 pastoor in de Sint Jacobskerk van Antwerpen, waar hij aan het hoofd stond van de parochies Sint Jacobs en Sint Joris. Maar Bruno heeft nu andere lichaamsdelen van dienst te zijn. Volgens ingewijden zat zijn overstap trouwens al langer in de “pijplijn.” Hij werd zo knotsgek van het ontknopen van de 33 knoopjes aan z’n soutane, dat hij de toog maar gelijk over de haag gooide. Bruidegom is een kerel uit het Vlaamse platteland, zo laat ik me vertellen, die het bij gebreke aan een voordeur niet erg schijnt te vinden om dan maar gelijk langs de achterdeur het kerkschip te betreden. Volgend jaar misschien een praalwagen erbij in de “pride,” een klerikale dan! Bruno is nu interdiocesane medewerker binnen de opleidingen van Caritas België; een functie die hem op het lijf geschreven staat. Na het vertrek van eerwaarde Pierre François (wegens een andere opdracht in Parijs) wordt de eredienst in Sint Jacob thans verzorgd door vicaris-generaal Emmanuel Ikeobi, een zwarte missionaris die nog een boel werk zal hebben om z’n blanke confraters terug tot het ware geloof te brengen. Succes, Emmanuel, doe uw naam alle eer aan en breng “God terug met ons.” Je zult het nodig hebben!
De tweede feitelijke défroqué is niemand minder dan de 22ste bisschop van Antwerpen, Johan Jozef Bonny. 70 jaar inmiddels en dus ontvankelijk voor ‘t oud zot. Hij verlaat de Kerk niet maar speelt sinds kort, zijn tweede naam huldigend, voedstervader van een ouvrijster, waarvan de kerk er overigens in overvloed heeft. Samen cocoonen ze nu half wekelijks in Turnhout. Dat hij er al behoorlijk ingeburgerd is, mag blijken uit zijn agenda van maandagavond eerstkomend, wanneer hij in diezelfde stad een lezing zal verzorgen over de joods-christelijke dialoog in – hoe kan het anders? – Gaza. Bonny’s verhaal heeft iets van wraakseks. Pas op: niet op zijn nieuw juffertje, maar op de Kerk van Rome. Een paar jaar terug namelijk kreeg Bonny last van z’n prostaat. Van ’s morgens vroeg en ’s avonds laat bezig zijn met seksueel misbruik in de Kerk, ook al is dat misbruik dan in overgrote mate historisch van aard, moet hem toch voldoende geprikkeld hebben. Voor de goede orde evenwel: zijn recente seksuele escapades worden vooralsnog uitgevoerd met volledige instemming van de jongedochter in kwestie.
Vanwege die prostaatproblemen had hij Rome gevraagd of hij niet voortijdig op pensioen mocht, minstens of hij niet verschillende taken mocht afstoten. Dat mocht niet. Stoten wel, afstoten niet. “Dat zal Rome geweten hebben!” brulde hij even zachtaardig als altijd door de bisdommelijke kwartieren. Geen idee wat we met de zorgbehoevende Bonny allemaal nog gaan meemaken. Zijn vriendin, die hem toen enkel verzorgde, moet nochtans met gouden handen bedeeld geweest zijn; zo dicht tegen de schaamstreek. Zich schamen deed de bisschop in ieder geval niet! Enfin, van het een kwam het ander, zoals men dan zegt, en plots voelde het hervatte leven rond z’n middel aan als een verrijzenis. “Hij is waarlijk opgestaan!” riep ie verbijsterd uit. Het braambos van zijn aanbidster stond meteen in lichter laaie en was, zoals gebruikelijk bij oude schuren, niet meer te smoren. Na zijn glorierijke intocht in het aardse Jeruzalem, kwam er zelfs geen spatje tijd vrij voor een betamelijke en persoonlijke exodus uit de Kerk, zoals Aerts het ons tenminste voordeed.
Tiens, nu ik eraan denk, het weliswaar brandende doch onverteerde braambos staat in feite symbool voor de maagdelijkheid van Maria. Of dat ook in dit geval geldt, is nog maar de vraag? Sommige details wil je niet eens van naaldje tot draadje kennen. Ach weet u, beste lezer, we zullen die oude Vaticanum II-generatie van “protestantse katholieken,” zoals Bonny, toch moeten uitzitten, hoor! Maar als hij ondertussen weer allerlei progressieve wetenswaardigheden van de kansel staat te balken, dan weet u vanwaar de wind waait: hij is er klaarblijkelijk alleen maar op uit om z’n eigen overtredingen geregulariseerd te zien. Als de vos de passie preekt… Diepe vreugde vervult ons echter te kunnen melden dat de jongere roepingen binnen de Kerk van een aanzienlijk taaier hout gesneden zijn. Dat belooft voor de toekomst. Mag die nu maar heel snel aanbreken.